zondag 4 januari 2026

De Verschrikkelijke Sneeuwman en de Aartsengel

 
Het voorwiel beweegt niet meer, maar glijdt nog wel door. Sneeuwschijfjes voor zich uit en tegen elkaar omhoogduwend, schuurt het tegen de trottoirband aan. Met een schok komt de bus tot stilstand.
De twee jongens die het afgelopen half uur hun tijd hebben gedood met het sneeuwballen gooien naar een openbare vuilnisbak aan de overkant van de straat, groeten de chauffeur opgewekt en checken in. 
‘Goedemiddag,’ zeg ik even opgewekt, want ik ben maar wat blij met de warmte die ik ben binnengestapt. ‘Naar Bakersloo graag.’
‘Wat dacht u waar ik u heenbracht, naar Vladivostok? En dan met dit weer? Het wordt steeds erger.’
Ik knik, haal mijn ov-chipkaart voor de kaartlezer en zoek een plaats op.
Samen met de twee jongens ben ik de enige passagier.

De ruitenwissers doen hun best. Onder de neerdalende sneeuwvlokken zijn drie daken van personenauto’s die zich op kruipsnelheid voortbewegen. Van gladheid valt er weinig of niets te bemerken. Alleen wanneer de chauffeur moet afremmen.

Een meisje stapt in. Ze moet een jaar of achttien zijn en is stevig omwikkeld door een jas en das vol sneeuwvlokken die van geen smelten willen weten. Met een gekromde wijsvinger trekt ze de das van haar neus naar haar kin. Geduldig ritst ze haar schoudertas open. Geduldig begint ze erin te graaien. Ze vindt wat ze zocht. Maar voordat ze incheckt, moet ze aan de buschauffeur kwijt: ‘Klopt het dat u veertig minuten te laat bent?’ 

‘Ja,’ zegt hij vermoeid.
‘En waarom is dat zo?’ 
De chauffeur maakt een woest gebaar naar de voorruit. Inderdaad, het is een waarlijk mooi sneeuwlandschap, met al die donzige vlokken. En dan die vele stroken gele kerstkettinglichtjes langs de winkelpanden. Echt een Anton Pieck.
Een kwartier later is het opgehouden met sneeuwen. 

Als de chauffeur aan de halte gestopt is om mij samen met de twee jongens uit te laten, moeten we hem tot twee keer toe groeten voor hij daarop reageert. De verschrikkelijke sneeuwman, denk ik, hij vreet aan buschauffeurs. Maar naïeve meisjes, die heeft hij lief.

Voorzichtig loop ik de wijk in. 
Dan is er voor mij één grote ijszee. Op de hoek van de straat zijn net een man en een vrouw uit een auto gestapt. Ik schat ze van mijn leeftijd. De man vraagt of hij me kan helpen.
‘O, dat zou geweldig zijn.’ 
Hij neemt mij aan de arm. De vrouw is naast de auto blijven staan en roept mij na: ‘Je hoeft je geen zorgen te maken, hoor. Zo heeft hij mij tot nu toe ook geholpen.’ 

Als we op veiliger ondergrond zijn gekomen, op kruimig sneeuw, doe ik mijn rechterhandschoen uit en druk ik hem de hand. We maken onze namen bekend.
‘Rafaël,’ zegt hij.
‘Een Aartsengel!’
Hij knikt me vriendelijk toe, en ik zeg dat ik nu begin te begrijpen waarom hier alles met ijs bedekt is. Om een beschermengel de gelegenheid te geven zijn hulp aan te bieden, zodat ik veilig mijn eindbestemming bereiken kan. 


(Hoofdstuk 19 van ‘De geschonken tijd’)