woensdag 6 juni 2018

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroogs diagnose’ – deel XI



Behouden droomfragment

De vorige keer vertelde ik waarom een bepaald fragment uit ‘Eksteroogs diagnose’ is geschrapt. Hij leek te veel op eentje uit ‘De IJskoning.’
De vorige keer liet ik jullie het uit ‘Eksteroogs diagnose’ geschrapte fragment lezen. Deze keer is het de beurt aan het behouden fragment uit ‘De IJskoning.’

Ik lig opgebaard in mijn netste pak. Nooit geweten dat ik er een had. De Latijns-Amerikaanse negerin met de glanzende borsten is in het zwart gekleed. Ze licht haar rouwsluier op en samen met Lilian Gish buigt ze zich over mij heen. Rudolph Valentino en Siegfried voegen zich bij hen. Gevieren bedekken zij mijn borst met heldenmedailles. In een koets lig ik opgebaard, een koets die Rudolph Valentino en Siegfried in het water duwen. Hebben ze dan niet door dat ik nog leef? Ik lig alleen maar in coma, ik hoor en zie alles. Jullie willen toch niet dat ik verdrink? Geef me op zijn minst een rietje mee, zodat ik kan blijven ademhalen!
Langzaamaan voel ik mijn rug nat worden, langzaam klotst het water onder mij heen en weer, langzaam komt het water tot aan mijn schouders. Aan de oever staan de kinderen van de Overmaats te schateren van plezier. Ik zink onder de waterspiegel. Om mij heen zwemmen zeehonden en dolfijnen.

(De IJskoning, fragment uit Hoofdstuk 73. Een leeg, zwart-wit geblokt plein)

woensdag 23 mei 2018

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroogs diagnose’ – deel X


Afgewezen droomfragment

Gooi niets weg
Met name om de vaart en de spanning er in te houden, zijn er in de loop der jaren uit de roman Eksteroogs diagnose’ heel wat overbodige woorden en zinnen, ja zelfs hele lappen tekst verwijderd.

Uit een enkele zin zou een heel nieuw verhaal kunnen voortvloeien. En die hele lappen tekst zouden na kleine aanpassingen als zelfstandig verhaal door het leven kunnen gaan. Mits zo’n verhaal niet te veel lijkt op de roman waarin hij geboren is.

Bestaansrecht
Uit ‘Eksteroogs diagnose’ is een lap tekst verwijderd die m.i. wel interessant is, maar die geen bestaansrecht heeft. Hij lijkt te veel op een scene uit die andere roman, ‘De IJskoning.’ De woorden en de zinnen zijn anders, maar de situatie is bijna identiek.

In 2009 besloot ik voor de tekst van ‘De IJskoning’ te kiezen. Vanaf dat moment kon die van ‘Eksteroogs diagnose’ alleen nog in een blog als voorbeeld dienen van een verwijderd fragment.

Bij deze.


Voorbeeld 
Een langzaam schuin naar beneden hellende gang met rechts vooraan een spiegel, waar overheen een laken is gehangen. Het laken beweegt op de stroming van de lucht, er moet ergens een deur open staan. Ja, achter mij. Het daglicht komt door een kier naar binnen vallen, het licht van een zomerse dag.

Knerpend grint. Voetstappen. Er verschijnt een vrouw die de deur verder opent en met twee kinderen voor zich naar binnen stapt. Het is Wenneke. Ze geeft Ronny en Rianne een zetje. Eerst willen ze niet, maar dan maken ze zich van haar los en beginnen ze giechelend op haar schaduw te trappen. Janet zegt dat ze daarmee moeten ophouden, maar ze trappen steeds harder op haar schaduw, die bij elke stap die ze verder in de gang doet als maar langer wordt.

Tegenover de spiegel is een deur. Ze wil aankloppen, maar haar wordt al opengedaan.

Een donker vertrek, de raamgordijnen zijn gesloten. Ook hier bevindt zich een toegedekte spiegel. In het midden staat een bed. Er ligt iemand op. Alleen stukjes van zijn broekspijpen en colbert zijn te zien, er zijn mensen om dat bed heen gedromd. Een man met een amechtige borst, een vrouw met een driedubbele onderkin, een man met krukken, een vrouw in een paarse jurk, een man met een ringbaardje en een wrat naast zijn neus.

Ik stap tussen hen door en meng mij tussen Dolf en Evelien met hun baby en Peter en Annet met hun baby die nog met de navelstreng zijn verbonden met de moederbuik. Het bed stinkt. De dekens voelen vochtig aan. Er zit vast schimmel in, ik ruik paddenstoelen.

Aan de andere kant van het bed staat Hubert. Hij buigt zich over de persoon die daar ligt heen en ik hoor hem fluisteren: ‘Ga maar. Ga naar het licht.’
Die persoon die daar ligt, dat ben ik.

Op de gang slaat de buitendeur dicht en de spiegel zowel in de gang als hier in deze ruimte vallen aan gruzelementen.

(scene uit Hoofdstuk 60. Een aangenaam, vloeibaar en warm licht)


donderdag 10 mei 2018

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroogs diagnose’ – deel IX


De grootste angst van iedere pc-schrijver

Vervolmaking
De afgelopen maand ben ik o.a. bezig geweest met het vervolmaken van de synopsissen van ‘Eksteroogs diagnose’ en ‘De IJskoning’. Ik was van plan beide romans tegelijkertijd naar verschillende uitgevers op te sturen. Ook heb ik in de afgelopen maand gewerkt aan een begeleidend schrijven voor elk van die uitgevers. Op maandag 30 april was ik met deze bezigheden bijna klaar. En wat gebeurt er? Mijn computer springt op zwart.

Verdwazing
Met een knal, als van een springende gloeilamp. Mijn bureaulamp bleek het ook niet meer te doen, in heel de woonkamer was geen stroom. Ik werd omgeven door een intense stilte, alsof de wereld was vergaan.
Ik keek naar buiten. Waarom eigenlijk? Ik verwachtte een stroomstoring in de wijk. Maar daarvoor hoef je op klaarlichte dag niet naar buiten te kijken. Op klaarlichte dag branden er geen straatlantaarns. En de overburen hadden ook geen lamp branden, want daar scheen de zon recht naar binnen.
Het naar buiten kijken was puur een vorm van verdwazing. Mijn verstand wist wel dat het mijn computer was, maar mijn gevoel hoopte op een andere oorzaak.
Verdwaasd bleven verstand en gevoel uiteindelijk bij hetzelfde hangen: als mijn bestanden en vooral mijn verhalen, novellen en romans, waar ik in de afgelopen jaren zo veel energie in heb gestopt, maar niet verloren zijn gegaan. De angst van iedere pc-schrijver.

Ontnuchtering
In de gang bleek ik ook geen stroom meer te hebben. Het licht in de badkamer deed het nog wel. In de meterkast in de gang frummelde ik wat aan schakelaars, en toen had ik overal weer stroom. Verderop, in de woonkamer, hoorde ik de printer zichzelf opstarten.
En mijn computer? Wat ik ook probeerde, die bleef dood.

Verlies
Mijn ICT-man gebeld. Om kort te gaan: vijf dagen later stond er op mijn bureau een gloednieuwe computer.
En de bestanden van de ouwe: zijn er geen verloren gegaan?
Uiteraard beschik ik over een externe harde schijf voor back-ups. Die was de avond voorafgaande aan de crash nog om 23:00 uur geactualiseerd. In afwachting van mijn nieuwe computer was ik er maar vanuit gegaan, dat daar niet de kortsluiting in had huisgehouden.
Nog zo’n angst van de pc-schrijver. Honderd ICT-mannen en –vrouwen kunnen mij vertellen dat de kans op een van een computer naar een externe harde schijf ‘doorgeslagen kortsluiting’ 0,1 % is - ik als halve digibeet blijf die angst in mijn hoofd en maag voelen, tot ik met eigen ogen heb gezien dat alles behouden is gebleven.

Urenverlies
Waar het mij speciaal om ging, waren de laatste twee uur vóór de crash. Juist in die uren was ik bezig geweest met een voor een bepaalde uitgever bestemde synopsis, die telkens net een regel over het toegestane aantal bladzijden heen ging. Daar heb ik intensief aan zitten sleutelen, om precies te zijn aan één enkele zin, om een antwoord te krijgen op de vraag: hoe krijg ik dezelfde hoeveelheid informatie met een regel minder aan tekst? Het was me nog gelukt ook.
Een kwartier later sprong dus mijn computer op zwart, en hevig verontrust kon ik me niet meer herinneren of ik in dat laatste kwartier wel tussentijds had opgeslagen.

Geruststelling
De back-up van de externe harde schijf bleek niet te hoeven worden aangesproken. Alle bestanden van de oude computer konden zonder problemen naar de nieuwe overgeheveld worden. En alles stond er op, inclusief mijn laatste synopsisverbetering.
Ik kan weer verder.

woensdag 11 april 2018

Officiële mededeling met betrekking tot ‘Eksteroogs diagnose’


‘Vanuit een hoek van de voorkamer waggelt Annet langzaam naar mij toe, de handen om haar buik, alsof ze onder haar ochtendjapon een struisvogelei verborgen houdt. Ze ziet er moe uit. Haar buik is zo groot, zo groot, dat het diep binnen in mij steekt van afgunst. Wat ze anderhalf jaar geleden had uitgeroepen, nadat Dolf en Evelien hadden verteld dat zij zwanger waren: ‘O, maar dan wil ik ook!’   ‘Eksteroogs diagnose’, p. 189



William-Adolphe Bouguerea (1825-1905) – Maternal Admiration (1869), fragment


Blij en dankbaar geven wij kennis van de geboorte van
de definitieve versie van de roman

‘EKSTEROOGS DIAGNOSE’

geboren op 9 april 2018

‘Eksteroogs diagnose’ hebben wij nog niet gewogen,
maar hij telt 61 hoofdstukken,  272 bladzijden en 76.368 woorden.


Wij wensen hem van harte toe dat hij zijn weg mag vinden naar de lezers.

Een blik op ons kindje kunt u alvast werpen
door hierop te klikken.


Eric Steiner en zijn Muze Sophia Deçàdent

woensdag 21 maart 2018

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroog’ – deel VIII B


door
Sophia Deçadènt


Hadden je meelezers nog meer kritiekpunten?

Een paar spelling- of taalfoutjes, een verkeerde uitdrukking. Hier en daar kon nog wel een te uitleggerig zinnetje worden geschrapt.
Een van de nieuwe meelezers had zo zijn twijfels bij de relevantie van sommige Kefaloniafragmenten, of die het verhaal wel ondersteunden.

En wat heb je d’r mee gedaan, met die laatste opmerking?
Ik heb die fragmenten nog meer in verband proberen te brengen met de hoofdthema’s van de roman.

Zoveel kritiekpunten waren d’r dus niet. Waarom heeft ‘t dan nog zo lang geduurd, voordat je je bereid verklaarde voor dit interview?

Dat komt omdat ik niet meteen en ook niet zonder onderbrekingen met de opmerkingen en kanttekeningen aan de slag ben gegaan. Op mijn beurt heb ik van de twee nieuwe meelezers elk een manuscript doorgelezen en beoordeeld. Verder heb ik de hele maand november gebruikt om mijn National Novel Writing Month roman te schrijven: ‘Gesprekken met mijn moeder.’
Pas in december kon ik echt de slag gaan met de opmerkingen van mijn drie meelezers.

En dan nog vind ik dat je d'r behoorlijk lang over gedaan hebt

Ik heb echt niet stilgezeten, hoor. Nou ja, dus wel. Achter de computer.
Nog heel wat meer zaken heb ik binnen de roman met elkaar in verbinding gebracht. Zinnen die te veel op elkaar leken en bepaalde uitdrukkingen, geëlimineerd. Daarbij ontdekte ik dat ik nogal vaak bepaalde ‘stopwoorden’ gebruikte: misschien, heel, vaak, soms, veel, dus, toch, maar en hun synoniemen. In boeken van gerenommeerde schrijvers bleken die nauwelijks voor te komen. Ook in de roman ‘De IJskoning’ en ander werk van mij kwam ik die stopwoorden tegen. Vervolgens ben ik beide romans per stopwoord ter hand gaan nemen.
Daarna het geheel nog eens doorgelezen om te zien of door al dat vele schrappen de zinnen niet opeens geforceerd overkomen. Sommige woorden moesten toch weer terug worden geplaatst.

Vreemd hoor, dat je nu pas achter die stopwoorden gekomen bent.

Afstand schept inzicht.

Leg dat eens uit?

Eerst probeer je in het verhaal te komen, vervolgens in het hoofd van je personage. Als je verhaal en je hoofdpersonage er eenmaal staan, dan ga je kijken naar de stijl, zoek je naar verbanden, voeg je verbanden toe om er echt een eenheid van te maken. Daarna is het tijd om de hele tekst strak te trekken. Je zit nog steeds bovenop de woorden. Pas wanneer je wat afstand hebt kunnen nemen van het verhaal en je hoofdpersonage, ben je in staat om de kleine onvolkomenheden als bepaalde stopwoorden te ontdekken. Nu ik me er bewust van geworden ben dat ik ze gebruik, zal ik in denk ik ook staat zijn om ze direct bij eerste herlezing lezing te schrappen. – Afstand schept inzicht.

En na die schrappingen was je dan eindelijk klaar?

Bijna, bijna. Tussen 17 en 27 februari heb ik zowel ‘Eksteroog’ als ‘De IJskoning’ in zijn totaliteit nog één keer doorgelezen. Daarbij ben ik toch nog weer een paar tegenstrijdigheden tegengekomen (ja, nu pas, want ook hier geldt: afstand schept inzicht). Die heb ik weggewerkt. Ook tijdens een laatste spellingscontrole kwam ik nog een paar spellingfouten tegen die Word tot nu toe over het hoofd had gezien. Vreemd eigenlijk…  Maar goed, beide romans zijn nu dus definitief klaar voor de uitgever.

Geloof je ‘t zelf? Over ‘De IJskoning’ heb je  zo vaak gezegd dat die klaar zou zijn voor de uitgever. En telkens weer kwam je d’r op terug.
‘t Wordt tijd om ze los te laten, Eric! Bij elke herlezing zul je weer een foutje of een punt ter verbetering ontdekken. Maar dat zal een uitgever ook doen. Dus, loslaten! Stuur die beide romans eindelijk eens op. Nu!

Gelijk heb je.

woensdag 14 maart 2018

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroog’ – deel VIII A



door
Sophia Deçadènt


’t Was 30 augustus dat je voor ’t laatst iets te melden had over je vorderingen aangaande je roman ‘Eksteroog.’ Heel wat lezers zullen zich afvragen  hoe ‘t daar in vredesnaam mee gesteld is. Had je een writers block of zo?

Verre van dat.
Zoals ik je in deel VI van deze serie vertelde, was ik in februari 2017 begonnen de opmerkingen te verwerken die mijn meelezer op de verbeterde versie van ‘Eksteroog’ had gemaakt. Je kunt je misschien herinneren dat ze de roman nogal somber vond en wat meer lichtheid wenste.
Hiervoor heb ik 8 hoofdstukken van tezamen 40 pagina’s aan de roman toegevoegd, waarin onder andere de karakters van en de relatie tussen mijn hoofdpersonage Reinier Verbriest en zijn ex-vriendin Martha verder zijn uitgewerkt. Van die hoofdstukken spelen er zich 5 (23 pagina’s) af op het Griekse eiland Kefalonia, waar beiden zeven jaar geleden op vakantie zijn geweest.

Wat ben je toch een boekhoudertje.


…Het zit in de genen. Mijn grootvader van mijn moeders’ kant was kruidenier. …Zal ik verder gaan?  Goed dan.

Ondanks de wens naar meer lichtheid, achtte ik het gaandeweg nodig om toch nog twee iets zwaardere hoofdstukken van elk 3 bladzijden tussen te voegen. Ook kwam ik tot de conclusie dat bestaande tekst hier en daar iets moest worden uitgebreid. Beide ‘acties’ waren vooral nodig om extra verbindingen te kunnen leggen, om tot een nog betere structuur en spanningsboog te kunnen komen.
Uiteindelijk had ik na zeven maanden arbeid een roman op mijn computerbeeldscherm staan dat van 202 naar 267 pagina’s was uitgegroeid.
Op 28 augustus heb ik deze compleet nieuwe versie ter beoordeling naar mijn meelezer opgestuurd. Op haar verzoek heb ik dat ook gedaan naar twee andere collega schrijvers.
In september en oktober mocht ik van alle drie het manuscript met kanttekeningen en opmerkingen terugontvangen.

En hoe was hun oordeel?

Mijn eerste meelezer vond dat de roman vergeleken met de vorige versie er stukken op vooruit is gegaan. Belangrijke informatie wordt nu niet meer te lang achtergehouden. De gevoelens en gedachten van mijn hoofdpersonage Reinier Verbriest zijn voldoende uitgewerkt. Vooral vond ze de roman meer in balans, minder somber. Ze schreef: ‘Prachtig die gelukkige momenten met Martha op een Grieks eiland en al die verwijzingen naar de mythologie.’ Over de door mij toegevoegde positieve laatste zin van de roman, merkte ze op: ‘Mooi, mooi!’
Ook de twee nieuwe meelezers waren tevreden over ‘Eksteroog.’ Van hen kreeg ik min of meer bevestigd wat mijn eerste meelezer had opgemerkt. Alle drie ken ik overigens van het Daretoo Schrijverscafé.*
Over de roman in zijn geheel was de meest strelende opmerking wel deze: ‘een plezier om te lezen voor iemand als ik, die stijl het allerbelangrijkst vindt.’
Zo, en nu heb ik wel genoeg veren in mijn # gestoken!

Juist. Ook dat moet je nog een beetje beter leren beheersen, Eric. Niet te bescheiden zoals in deel VI, en niet te pocherig zoals nu.

Was er ook kritiek?

Een van de nieuwe meelezers was niet zo tevreden over het eind, vond het zelfs een anticlimax. Sowieso had ze moeite met de laatste bladzijden.
En de derde meelezer, die vond de (toegevoegde) laatste zin geen lichter einde.
Als je drie verschillende oordelen over het slot krijgt, dan kun je ervan uitgaan dat je goed zit. De derde meelezer gaf mij daarin de doorslag. Hij las meer dan ik er in had gelegd.
Conclusie: het slot van ‘Eksteroog’ is multi interpreteerbaar. Wat wenst een schrijver nog meer?

(het tweede deel van dit interview volgt volgende week)


*) Een door Daretoo in het leven geroepen LinkedIn groep voor schrijvers, redacteuren, schrijfcoaches, etc.

woensdag 28 februari 2018

Bloedprik

Wegkijken voor zo’n kleinigheid

Ik was in het ziekenhuis voor een bloedprik. Ik heb een hekel aan bloedprikken. Op het moment suprême kijk ik altijd weg. Dan voel ik er niets van.

De vijfde schuifdeur
In het gangetje nam ik plaats tussen de rij wachtende mensen. De een na de ander werd opgeroepen, verdween achter een van de vier schuifdeuren en kwam er na een paar minuten ook weer uit te voorschijn.
De vijfde schuifdeur bleef dicht.

De naald in het armpje - 1
Daar kwam een zacht jammeren vandaan. Van een meisje. Het jammeren nam toe en de moeder en de verpleegster die de naald in het armpje van het kind zou moeten zetten, spraken troostende en moedgevende woorden. Het kind liet zich niet vermurwen.
Ik kon mij dat goed voorstellen.

In één keer raak (dat mag je toch wel hopen)
Ik was een jaar of acht – negen. Misschien was het meisje aan de andere kant van die schuifdeur ook wel van die leeftijd. Dan heb je al zo veel hersentjes ontwikkeld dat je, om erger te voorkomen, vrijwillig je arm uitstrekt.
Dat deed ik toen ook. Ik geloof dat ik die dag voor het eerst ben gaan wegkijken. Want al die keren deed het zeer. Al die keren, ja. Die verpleegster prikte telkens mis. 
Op het laatst zei ze: ‘Ik ben een beetje grieperig. Ik geloof dat ik er maar even een collega bij haal.’
Die prikte in één keer raak.

‘Ben je er klaar voor?’
Uit het jammeren en de uitroepen van het meisje en uit de reacties van de moeder en de verpleegster kon ik afleiden dat ze er telkens bereid voor was, maar op het moment suprême net weer niet.
De moeder en de verpleegster probeerden haar opnieuw te overreden. Dat het maar even duurde en dat het echt geen pijn deed. De moeder kwam met beloftes, ik geloof tot aan een dagje pretpark aan toe. De verpleegster deed er nog een schepje bovenop. Maar wanneer een van de twee vroeg: ‘Ben je er klaar voor?’ riep het meisje: ‘Nee, nee, nee!’ en begon ze weer te schreien.
Ik meende zelfs te kunnen opmaken dat de verpleegsters van kamertje een tot en met vier erbij werden gehaald. Uiteraard niet allemaal tegelijk. Vanaf dat moment bleven alle vijf schuifdeuren dicht.

Meeleven en ongeduld
O, ik leefde met het meisje mee. Zo te zien deden de andere wachtende mensen dat ook. Langzaamaan begon ik bij een paar toch wel enig ongeduld te bespeuren. Maar toen bleek onze langste wachttijd er al weer op te zitten.

De naald in het armpje - 2
Vanachter de schuifdeur klonk opeens de stem van een man. ‘Wat is dit nu? Ben jij bang voor spuitjes? Voor zo’n klein prikje?’
Ongetwijfeld beschikte die man over een flinke dosis vaderlijke uitstraling, want met precies dezelfde beloftes als de moeder en de verpleegsters hadden gedaan én met een bepaalde instructie wist hij het zo te horen voor elkaar te krijgen dat hij de naald in haar armpje kon zetten.
Tijdens de bloedafname telde het meisje samen met haar moeder en de verpleegster luid en bezwerend tot vierentwintig en toen riepen ze alle drie, samen met de man uit: ‘Hoera!’

Verbazing en begrip
De schuifdeur ging open. De moeder duwde het kind met zachte hand naar buiten. Bij alle wachtende mensen meende ik een zekere verbazing te bespeuren. Ook ik stond er van te kijken. Het ging helemaal niet om een meisje van een jaar of acht – negen. Het ging om een jochie van een jaar of vijf.
De moeder keek schuldbewust om zich heen en sloeg vrijwel direct haar blik naar de grond. Maar ik geloof dat alle wachtende mensen wel begrip op konden brengen voor dit oponthoud veroorzaakt door het jochie. Wie heeft er nou geen hekel aan bloedprikken.