zondag 4 januari 2026

De Verschrikkelijke Sneeuwman en de Aartsengel

 
Het voorwiel beweegt niet meer, maar glijdt nog wel door. Sneeuwschijfjes voor zich uit en tegen elkaar omhoogduwend, schuurt het tegen de trottoirband aan. Met een schok komt de bus tot stilstand.
De twee jongens die het afgelopen half uur hun tijd hebben gedood met het sneeuwballen gooien naar een openbare vuilnisbak aan de overkant van de straat, groeten de chauffeur opgewekt en checken in. 
‘Goedemiddag,’ zeg ik even opgewekt, want ik ben maar wat blij met de warmte die ik ben binnengestapt. ‘Naar Bakersloo graag.’
‘Wat dacht u waar ik u heenbracht, naar Vladivostok? En dan met dit weer? Het wordt steeds erger.’
Ik knik, haal mijn ov-chipkaart voor de kaartlezer en zoek een plaats op.
Samen met de twee jongens ben ik de enige passagier.

De ruitenwissers doen hun best. Onder de neerdalende sneeuwvlokken zijn drie daken van personenauto’s die zich op kruipsnelheid voortbewegen. Van gladheid valt er weinig of niets te bemerken. Alleen wanneer de chauffeur moet afremmen.

Een meisje stapt in. Ze moet een jaar of achttien zijn en is stevig omwikkeld door een jas en das vol sneeuwvlokken die van geen smelten willen weten. Met een gekromde wijsvinger trekt ze de das van haar neus naar haar kin. Geduldig ritst ze haar schoudertas open. Geduldig begint ze erin te graaien. Ze vindt wat ze zocht. Maar voordat ze incheckt, moet ze aan de buschauffeur kwijt: ‘Klopt het dat u veertig minuten te laat bent?’ 

‘Ja,’ zegt hij vermoeid.
‘En waarom is dat zo?’ 
De chauffeur maakt een woest gebaar naar de voorruit. Inderdaad, het is een waarlijk mooi sneeuwlandschap, met al die donzige vlokken. En dan die vele stroken gele kerstkettinglichtjes langs de winkelpanden. Echt een Anton Pieck.
Een kwartier later is het opgehouden met sneeuwen. 

Als de chauffeur aan de halte gestopt is om mij samen met de twee jongens uit te laten, moeten we hem tot twee keer toe groeten voor hij daarop reageert. De verschrikkelijke sneeuwman, denk ik, hij vreet aan buschauffeurs. Maar naïeve meisjes, die heeft hij lief.

Voorzichtig loop ik de wijk in. 
Dan is er voor mij één grote ijszee. Op de hoek van de straat zijn net een man en een vrouw uit een auto gestapt. Ik schat ze van mijn leeftijd. De man vraagt of hij me kan helpen.
‘O, dat zou geweldig zijn.’ 
Hij neemt mij aan de arm. De vrouw is naast de auto blijven staan en roept mij na: ‘Je hoeft je geen zorgen te maken, hoor. Zo heeft hij mij tot nu toe ook geholpen.’ 

Als we op veiliger ondergrond zijn gekomen, op kruimig sneeuw, doe ik mijn rechterhandschoen uit en druk ik hem de hand. We maken onze namen bekend.
‘Rafaël,’ zegt hij.
‘Een Aartsengel!’
Hij knikt me vriendelijk toe, en ik zeg dat ik nu begin te begrijpen waarom hier alles met ijs bedekt is. Om een beschermengel de gelegenheid te geven zijn hulp aan te bieden, zodat ik veilig mijn eindbestemming bereiken kan. 


(Hoofdstuk 19 van ‘De geschonken tijd’)

zondag 28 december 2025

Neussnuivers

Ze waren laat. Kort voor hun vertrek had hij een zware buik gekregen en plotseling naar de wc had gemoeten. Er was niks gekomen. Om het weer een beetje goed te maken, snelde hij een eindje voor papa uit. 
In de bocht van de Dorpstraat zag hij hem verschijnen. 
‘Hij komt er al aan!’ Hij stak zijn hand in de hoogte. ‘O, nee. Die moeten we niet hebben, die is Gereformeerd.’
Papa grinnikte om hem en toen zag ook hij zijn vergissing in.
 
Het was een lange rit, met in het begin twee keer overstappen. Daarna gingen ze over een weg langs een kanaal met hier en daar rijtjes arbeiderswoningen die zich een hoogst enkele keer uitbreidden tot een dorp. Behalve als er werd gestopt en weer verder gereden, maakte de bus een en het zelfde kalme ronkgeluid. Verveeld vroeg hij: ‘Waarom zitten er bijna geen bochten in de weg?’
‘Omdat het kanaal recht is,’ zei papa. ‘Lang geleden hebben ze hem aangelegd voor het vervoer van turf. Ze haalden hier massa’s veen uit de grond. Turf, dat is gedroogd veen. Al die dingen hebben ze jou toch wel onderhand op school geleerd?’

Dat de rit zo lang duurde, was aan een kant ook wel fijn. Hij was een beetje bang voor daarna. Om die angst weg te drukken, dacht hij terug aan de vissnoergitaar die papa voor hem had gebouwd. Hijzelf had in klankkast een spijkertje krom getikt en daaraan een koord gehaakt dat oorspronkelijk bedoeld was om er ondergordijnen mee in ramen op te hangen. Het andere uiteinde had hij achter de Erres radio laten verdwijnen. Onder de glazen asbak. Die was zwaar genoeg. De radio bovenop het dressoir, dat was zijn versterker.

Waren er geen arbeiderswoningen, dan had je links en rechts uitgestrekte bietenvelden, velden bedekt met aardappelloof of vol korenstoppels met bij de oprit opeengestapelde stropakken. Ook weilanden met koeien. Soms paarden. Je kon kijken tot aan de wolken die vlak boven de horizon hingen. Het enige echt interessante was eigenlijk die lange rij hoogspanningsmasten waartussen slap gespannen draden hingen.

De vissnoersnaren, die waren strak gespannen. Ze hadden elk een andere toonhoogte. Met een beetje fantasie – en dat had hij – speelde hij zo mee met The Rolling Stones en The Beatles. Die konden een heel bijzonder geluid uit hun gitaren halen. Het snerpende aan het begin van I Can’t Get No Satisfaction dat in elk refrein terugkeerde. En dan die nog nooit eerder gehoorde Nnnnouwahhh! waarmee I feel Fine begon.

Tegenover het treinstation van Assen dronken ze in een café een glaasje ranja. In zijn verbeelding ging hij door met gitaar spelen. Zijn fans gilden al net zo hard om hem als om The Beatles en The Rolling Stones. Voor zijn neus stond de standaard van mama’s stuk geraakte droogkap. Dat was zijn microfoonstandaard, de daaraan met plakband vastgemaakte koplamp van een fiets de microfoon. Welk liedje zou hij gaan zingen? I Can’t Get No, of toch I Feel fine?

Nadat hij een tweede gevulde koek had gekregen en opgegeten, zei papa dat het zo langzamerhand tijd werd.

Ze liepen een eindje over een straat, gingen een spoorwegovergang over, volgden weer een straat die evenwijdig aan het spoor lag. Hij voelde zijn hart kloppen en zijn buik werd weer zwaar.
Links doemde voorbij struiken een rechthoekig gebouw op. Het had een puntdak. In het midden, dwars op die puntdak, was er nog een puntdak, met daarachter een kleine, smalle torenspits. Net een kerk. 

Binnen moesten ze even zitten wachten op een bank en toen werden ze door een aardige mevrouw naar een ruimte gebracht, waar ze aan een tafel plaats namen. Het rook hier vreemd. Naar een scherp schoonmaakmiddel. Alles was hier vreemd. Er zaten mensen bijeen, maar er werd bijna niets gezegd. Het gerinkel van de lepeltjes in koffie- en theekopjes klonk daardoor extra hard. 

Vlak achter hem zat iemand heel diep adem te halen. Dat ging vast door een neus vol haartjes of snot. Het ging maar door. Echt een neussnuiver. Of snuifster. Sliep die persoon?
Hij wilde zich omdraaien, maar liet zijn aandacht al weer gaan naar iemand anders. Een man die wiegende bewegingen maakte en afwisselend zijn linkeroor aanraakte en een haarlok voor zijn ogen wegschoof. Ook die snoof diep. Als je goed luisterde, bleken er nog heel wat meer mensen die dat deden. De ruimte zat vol neussnuivers.

Een mevrouw een eindje links van hem begon te lachen. De mensen aan haar tafel bleven ernstig. Ze had vast een mop voor zichzelf bedacht.
Hij keek weer naar de wiegende man.
Let maar niet op hem, die is toch gek.’
Het was de neussnuiver achter hem die dat had gezegd. Hij droeg een wilde baard en hij knikte vriendelijk. Nadat de vrouw aan zijn tafel hem had gevraagd ‘En hoe is het nu met je?’ begon hij weer te neussnuiven.

‘Daar is mama!’
Een zuster bracht haar naar binnen. Hij wilde naar haar toe rennen, maar papa greep hem bij de arm. ‘Eerst zien hoe het met haar is.’ 
 Mama glimlachte. Toen ze was gaan zitten en de zuster was verdwenen, legde hij even zijn hoofd in haar schoot.

Mama bleef maar naar hem glimlachen. ‘Hoe gaat het op school?’
Dat vond hij een vreemde vraag. Was ze dan vergeten dat hij over mocht en dat zijn vakantie pas volgende week voorbij zou zijn?
Hij keek papa aan. Papa had hem verteld dat hij niets moest zeggen wat haar verdrietig kon maken. Mama wist niet meer waar ze mee moest beginnen, eerst de afwas, of toch maar stofzuigen. Daarom was ze hier.
Hij dacht aan de here God die alles zag en hoorde. Ook dat je loog.
Een klein leugentje, dat zou de here God hem toch wel willen vergeven? Vooral als het was om je mama niet verdrietig te maken?

‘Gaat wel,’ zei hij.
Hij wist meteen dat ze zijn leugentje doorzag. Omdat hij over zijn antwoord zo lang gedaan had. Dacht ze nu dat het met hem niet goed ging op school? Gelukkig maar dat hij haar niet had verteld dat Fred weer bij hem in de klas kwam, want dan had hij haar moeten uitleggen dat die op zijn beurt wel was blijven zitten en dat zou haar ook verdrietig kunnen maken. Maar dat hij in de klas weer een vriendje kreeg, dat zou ze fijn vinden, daar werd ze toch weer blij van?

Je ziet er goed uit,’ zei papa. 
Ja’, zei ze. ‘Wanneer mag ik weer naar huis.’
‘Dat kunnen we beter aan de artsen overlaten.’ 
‘Maar het huishouden.’ 
‘Maak je daar nou maar geen zorgen over, we krijgen binnenkort gezinshulp. Het belangrijkste is dat je weer beter wordt.’
De mevrouw een eindje links van hem begon weer te lachen.

Papa en mama hadden het nog over andere dingen. Ze zag er misschien wel goed uit, ze praatte toch anders. Langzamer en ook een beetje op dezelfde toon. De meeste tijd zeiden papa en mama niks.

Opeens stond de zuster achter haar. ‘Zo, mevrouw Buck, ik kom u weer ophalen.’ Tegen papa zei ze: ‘Neem rustig afscheid, ik wacht wel bij de bar.’ 
Toen ze weg was, vroeg papa of hij de volgende keer iets voor haar moest meenemen. ‘Kleren? Pyjama’s, kousen, ondergoed? Een geurtje, iets lekkers?’ 
Mama snifte. Ging ze nou ook neussnuiven? Er gleed een traan over haar wang. Papa was al opgestaan en zij bleef zitten. Ze keek om zich heen en zei: ‘Ik wil hier weg. Ik wil hier weg.’
Hij legde zijn hoofd terug in haar schoot.


(Hoofdstuk 14 van ‘Gestolde Passie’ – roman in uitvoering)



woensdag 8 oktober 2025

Op de Longlist van de Elders literair reisverhalenwedstrijd

 


Al dat schrijven, herschrijven, schiften en herordenen aan de verschillende versies van mijn verhaal ‘De rollen van Despoblado’ heeft uiteindelijk zijn vruchten afgeworpen!

‘De jury van Eldersliterair, bestaande uit de schrijvers Kristien De Wolf, Arjen van Meijgaard en Kees Ruys, las en besprak de 115 inzendingen voor de reisverhalenwedstrijd ‘Elders’ (zonder de namen van de auteurs te kennen) en kwam tot de volgende longlist van 15. Op alfabetische volgorde:


Heeji Jacobs – Moederland
Hanneke Koppers – Knuffel uit Bilbao
Cristy Leonard – De koffer
Matilde Meertens – Tot hier
Mariano Perez van Poecke – Zomers die blijven
Gidi Pols – Barış, na de wind
Brenda Poppenk – Ruimtereis Manifestation 11
Henk Rouw – De rollen van Despoblado
Marjanne Sevenant – Lieve Dana
Dirk Straaijer – Benidorm
Lily Talapessy – Voor Michael
Pieter Van de Walle – De man uit Abu Dhabi
Joke Vander Laenen – Rome zien en sterven
Michael Vonk – De ezelsoren der Zijderoute
Indra Versmesse – Stay Hotel Porto Aeroporto. Kamer 412

Eind oktober maakt de jury de namen bekend van de drie kandidaten die tot de shortlist behoren. De uiteindelijke winnaar wordt bekendgemaakt tijdens de presentatie van Elders literair 6 – een reisnummer – op zaterdagavond 22 november in Theater in de Steeg in Den Haag (aanvang 20.15 uur).
Houd onze website in de gaten voor meer informatie en het bestellen van tickets voor deze avond!’



vrijdag 25 april 2025

Een teken van leven

 

door Sophia Désedan

 

 

Hoe ik ‘m in z’n ivoren schrijverstorentje aantrof

Tussen de rommel. Ik ging me zowaar nog schuldig voelen ook en begon meteen de handen uit de mouwen te steken. Maar toen wilde ie ‘t zelf doen.
‘Laat nou maar,’ zei ik. ‘Als ik ’t doe, is ’t zo gebeurd.’


 Waar heb je toch al die tijd uitgehangen!
‘Zo, meneer Steiner. Je bent een meester in afwezigheid. Waar heb je toch al die tijd uitgehangen! Niet alleen maar achter je schrijfbureau, mag ik hopen?’
‘En waar ben jij geweest. Jij hebt al vanaf 2018 geen teken van leven meer gegeven op deze website.’
‘Da’s niet waar. In 2023 heb ik nog “Het Grote Eric Steiner Interview” voor je geactualiseerd. Kort daarop plaatste jij je laatste stukkie.’
‘De pot verwijt dus de ketel. Sophia, je bent mijn compagnon. Helemaal aan het begin beloofde je mij, ook eens af en toe op deze site een artikel te plaatsen, in het bijzonder wanneer ik het te druk heb.’


Noem me geen ‘Soof’ 
‘Te druk? Te druk?! Noem jij dat te druk? Wat zitten schrijven aan verhalen en romans? Je bent zeker vergeten dat ik ‘n zoon heb, hè? Daar heb ik m’n handen vol aan. Ja, nog steeds. Vertel mij wat over het te druk hebben, Eric! Jij gaat nog wel anders praten als je zelf kinderen hebt!’
‘Mijn verhalen en romans, dat zijn mijn kinderen, Soof.’ 
‘Noem me geen “Soof”. Mooi gezegd: je verhalen en romans je kinderen noemen! Ze verplichten je tot niks, mijn Johan wel. Nou, kom op! Vertel me waar jij de laatste tijd zo druk mee bent geweest.’
‘O, zo veel.’

Verplichtingen

O, zo veel? Dan kan ’t ook niks zijn geweest, Eric. Je hebt vast weer zitten schiften op komma’s en punten. Da’s heel wat anders dan een zoon van negentien weer in huis nemen, zorgen dat ie goed te eten krijgt, z’n studie blijft volgen, niet te veel op social media rondhangt en op tijd naar bed gaat. Een moeder alleen, da’s heel wat anders dan een schrijver alleen, Eric! Wat voor verplichtingen heb jij nou naar je verhalen en romans toe.’
‘Ze willen uitgegeven worden.’


Die hang naar perfectie van hem!
‘En daarom moet je ze keer op keer nog ‘n stukkie perfecter maken, hè? Ik ken je. Je blijft er net zo lang mee bezig, met dat zogenaamde verbeteren, tot je er dood bij neer zult vallen.’
‘Je hebt wel een beetje gelijk, Sophia. Maar daarnaast ben ik met een heel groot project bezig.’
‘Vertel.’


Een ‘nieuw’ project 
‘Ik heb "Gestolde Liefde" weer ter hand genomen. Je weet wel, die roman die ik in eerste versie tijdens National Novel Writing Month heb geschreven in 2009, 2010, 2011, 2015 en 2021. 
Het heet nu "Gestolde Passie." Die titel dekt beter de lading. Van die NaNoWriMo-manuscripten is nu een tweede versie af. Ik heb ook een heel nieuw deel geschreven. Dat behandelt de eerste veertien jaar van mijn hoofdpersonage: ‘Batmans cape.’ Dat is nu ook in tweede versie.
"Gestolde Passie" beslaat nu zo’n 1000 bladzijden. Maar dat zegt niets. Alleen de scenes die met elkaar te maken hebben mogen bewaard blijven. Nog veel te de doen dus.
Vandaar mijn afwezigheid hier op deze plek.’


Was ’t nou zo moeilijk?
‘Goed zo, Eric. Was dat nou zo moeilijk, om mij en je lezerspubliek weer een beetje op de hoogte te brengen van je literaire activiteiten?’
‘Het valt me een stuk gemakkelijker als ik het jou vertel. Als jij er nou eens een leeswaardig artikel van maakte’
‘Ammehoela! …Oké, alleen deze keer dan. Daarna mag je zelf hier weer aan de slag, schrijvertje! Probeer het maar eens, tijdens vorige projecten is het je ook gelukt.’
Ik kwam overeind en pakte m’n spullen bijeen. ‘Als je je best doet, misschien doe ik dan ook weer mee.’
‘Ja, mama.’
‘Noem me geen mama. Grrr, mannen! Vooral schrijvers! Ik krijg er ’n punthoofd van.’


Groetjes,
Sophia Désedan.

vrijdag 1 december 2023

Het plezier van het schrijven

 




Tijdens het schrijven an sich bevind ik me vaak in een roes. Überhaupt is het hele proces van het eerste woord tot de laatste versie een verslaving. En wat is er mooier dan plezier te beleven aan een verslaving waar je, als je verder goed voor jezelf zorgt, niet aan ten onder hoeft te gaan?

Alles begint met de voorpret. De vonk: een voorval, een beeld of een geluid, een geur. Je fantasie is geprikkeld en zal je nog vele keren in een roes dompelen.

Het plezier dat je vervolgens aan het schrijven zelf mag beleven. 
Wanneer je eenmaal in de flow zit, soms niet meer weet waar je zin zal eindigen terwijl het allemaal gewoon door gaat.
Wanneer je exact op dat ene moment je een voorval herinnert dat naadloos aansluit op de zo even door jou neergezette zin die niets met dat voorval te maken heeft.
Wanneer elk geschrapte zin de kiem blijkt te van een nieuw verhaal.
Wanneer na een hoop geschift en geschuif de losse draadjes aan het eind van je roman zich verstrengelen in één grote onthullingsknoop.
Wanneer je met voldoening mag zeggen: het is volbracht.

En al weet je dat je roman ondanks de vier, vijf, zes – twintig versies die hij heeft ondergaan, nog ontelbare gebreken zal hebben en dat je hem na een jaar waarschijnlijk toch weer ter hand zult nemen: je mag er trots op zijn. Jij hebt iets gepresteerd. Je hebt een boek geschreven en het boek heeft jou wijzer gemaakt.


maandag 20 november 2023

Een verleiding tot verder lezen

 
Het wordt tijd dat ik op deze site het bloggen hervat.

Daaraan vooraf heb ik de rubrieken ‘biografie & program’ en ‘bibliografie’ (de synopsissen) nog wat bijgeschaafd. 

By the way: ‘Het Grote Eric Steiner Interview’ heeft Sophia Désedan na een gesprek met mij geactualiseerd.

Verder heb ik het te lezen proza onder de rubriek ‘fragmenten’ en onder de hier aan de rechterzijde afgebeelde boekcovers vervangen.
Voor de verhalenbundels nu geen fragment(en) meer, maar een of twee complete verhalen.
Voor de romans in plaats van drie min of meer willekeurige hoofdstukken, nu de eerste zeven.

vrijdag 8 september 2023

Van enorme handen glijden


Naast de feiten, stel ik mij het volgende voor. Een uur nadat mijn vader mij in zijn enorme handen had genomen, moest hij terugdenken aan de splinter in zijn oog, een stukje ijzer dat tijdens het omhakken van een appelboom losgesprongen was van een sleetse bijl. In het ziekenhuis hadden ze hem gezegd dat hij dat oog vierentwintig uur niet mocht bewegen, anders zou hij het verliezen. Ook toen had hij volgehouden, dus waarom zou hem dat nu dan niet lukken?

Mijn vader had niet alleen enorme handen, hij was ook sterk. Op een steenfabriek versjouwde hij in een kar met twee wielen ladingen vol afgekoelde bakstenen naar vrachtwagens die voor vervoer gereed stonden. Mijn vader verbrandde veel energie. Elke ochtend nam hij een ijzeren broodtrommel mee, waarin een heel tarwebrood zat, belegd met ei, kaas en leverworst. Mijn vader was zo sterk dat toen hij met pensioen ging, er drie kerels voor hem in de plaats moesten komen. 

‘Gaat het nog?’ vroeg de chauffeur. ‘Zal ik hem anders van u overnemen?’ 
De stem van mijn vader trilde door mijn babydeken heen: ‘Nee, laten we dat maar niet doen.’

Mijn vader was een man van weinig woorden. Later als kind en ook nog als jongvolwassene zou ik daar grote moeite mee hebben. Zijn naar buiten staren, de dieper gegroefde rimpels op zijn voorhoofd ontlokten mij regelmatig de vraag: ‘Is er iets?’ En dan zei hij: ‘Wat er is, hoeft er niet gehaald te worden.’
Kort voor zijn ziekte werd hij wat toegeeflijker: ‘Ik hoop dat ik nog een tijdje leven mag.’
‘Bent u dan bang voor de dood?’
‘Dat weet ik niet, mijn jongen. Ik weet niet hoe de dood is, dus kan ik ook niet weten of ik er bang voor moet zijn.’

Pas toen hij niet meer onder ons vertoefde, zou ik gaan begrijpen dat mijn vader een intelligente man is geweest die liever bleef zwijgen dan mensen aanzetten tot verdriet, achterdocht of boosheid.
Wat hij wel losliet. Hij beweerde dat de meesters op school hem tienen en elven gaven. En dat hij vanaf zijn twaalfde mee moest gaan helpen in het veen. Hij vertelde er niet bij dat daarmee de kans op het volgen van een HBS-opleiding voor hem verkeken was.

Mijn vader is seizoenlandarbeider geweest en fietste op vrijdagavond van Klazienaveen naar familie op de Groningse zandgronden. Daar vond hij zijn grote liefde: Greetje. ‘Die met de zwarte haren’, zo noemden ze haar, in een streek waar hoofdzakelijk vlasblonde meiden de lakens op graszoden te drogen legden. Toen hij met haar in die streek een gezin had gesticht en een eigen huis had gebouwd, ging hij met geleend geld verder leren en schopte hij het tot opzichter bij de wegenbouw. Hij haalde zijn rijbewijs, kocht een auto en voerde zijn beroep uit in Rolde, Scheemda, Assen en Sneek.

Voor hem doemde die beruchte bolle brug op. De chauffeur minderde snelheid, schakelde en mijn vader tilde mij verder omhoog om de schokken op te kunnen vangen. Hij dacht aan Abraham die op het punt staat, zijn kind te offeren aan God. Geschenken teruggeven: mijn vader had er ervaring mee. Zijn tweede zoon, Christiaan: kort na de oorlog overleden aan difterie. Nog geen twee jaar later: Greetje, die hem van de wegenbouw in Rolde, Scheemda, Assen en Sneek terughaalt. Dichter bij huis gaat hij werken op die steenfabriek, om meteen bij haar te kunnen zijn. Het moment waarin ze van hem wegglijdt, verteerd door de kanker, hem achter latend met een dochter van anderhalf: mijn zus Christina.

We waren de brug over en mijn vader legde zijn polsen weer te rusten op zijn knieën. Mij er nog lang niet van bewust dat ik bestond, loerde ik tussen twee tippen van mijn babydeken door naar zijn neus. In gedachten schreef hij weer die brief aan de koningin. Die vergeefse smeekbede om zijn eerste zoon Wouter die naar Indië was uitgezonden, over te laten komen voor Greetjes begrafenis.

De chauffeur van de ziekenwagen begon af te remmen, schakelde en stopte aan de kant van de weg. Hij keek mijn vader aan en vroeg met nadruk, of het toch echt niet beter was dat ze ruilden: mijn vader achter het stuur en ik gedragen door de chauffeur.
‘Nee,’ zei mijn vader. ‘Want het is mijn kind.’

Toen we de reis hadden voortgezet, glimlachte mijn vader even. Die Sinterklaasnacht, waarin hij mij had verwekt bij de vrouw uit Twente die bij hem ingetrokken was om voor het huishouden en het grootbrengen van mijn zusje Christina te zorgen. Misschien was het om de roddels in het dorp te temperen, misschien was wat er uit hun samenwonen is voortgevloeid gewoon een verstandshuwelijk. Maar die nacht waarin mijn vader mij op zijn negenenveertigste heeft verwekt - de uren er omheen – misschien heeft hij toen het verdriet om zijn Greetje even kunnen vergeten.

Mijn vader kreeg schouderpijn. Hij voelde zijn handen niet meer, maar mij nog wel. Hij voelde mij door zijn botten heen. Hij keek mij aan en vroeg zich af of ik later net zo’n neus zou krijgen als hij had: kort en rond. Later, wanneer ik de wasdom van een kleuter heb bereikt, zal hij er over grappen dat ze het botje eruit hebben gehaald, want ik kan dan die neus helemaal indrukken. Waarom ze het botje hebben weggehaald en wie dat hebben gedaan, wil hij niet zeggen.

Mijn vader hield veel dingen voor zich. Ik heb nooit geweten dat hij in de oorlog een Joods meisje een schuilplaats gegeven heeft. Ik heb nooit geweten dat hij twee keer een kind van de verdrinkingsdood heeft gered. Die dingen heb ik later, toen hij al lang dood was, gehoord van Christina, die me ook - als eerste en enige - van het grote wonder vertelde. Dat mijn vader mij twee uur lang in zijn enorme handen heeft gehouden om mij van het provinciehospitaaltje van Emmen naar het Academisch Ziekenhuis van Groningen te brengen.

Twee uren lang zweefden de boomkruinen en de lantarenpalen langs de ruiten van de ziekenwagen. Voor het eerst ervoer ik een sensatie die pas in mijn puberteit zou terugkeren, wanneer ik lag te dagdromen op de wiegende takken van een appelboom in onze tuin. Twee uren, en al die tijd heeft mijn vader de omgeving rond mijn staartbotje niet gestoten of aangeraakt.

Een verpleegster heeft een half uur in de portieken ons staan opwachten. Voorzichtig trok zij de ziekenwagendeur aan mijn vaders kant open. De kou in mijn gezicht. Een verpleegsterskap boog zich over mij heen. Ik begon te huilen toen de handen van mijn vader onder mij vandaan gleden.

De chirurgen deden er drie uur over om provisorisch te herstellen wat het lichaam van mijn moeder niet had gekund. Die chirurgen schonken mij een leven van langer dan een maand, zij schonken mij een heel leven. Maar in de eerste plaats zijn het de enorme handen van mijn vader geweest.

Minder voor mijn moeder dan voor mijn vader ben ik altijd het zorgenkindje gebleven. Er is weinig voor nodig om met een geboorteafwijking als een open ruggetje terecht te komen in een rolstoel. En ik heb er spijt van dat ik in zijn aanwezigheid soms heb uitgeroepen dat God mij mocht vermorzelen onder een stoomwals, terwijl hij - mijn vader - zo zorgvuldig met mij was omgegaan toen ik nog maar net veertien dagen oud was.


Dit verhaal kwam op de shortlist van de Editio Debutantenschrijfwedstrijd 2022 terecht. Naar aanleiding van het juryrapport heb ik het hier en daar aangepast en een nieuwe eerste zin toegevoegd om het spelen met het perspectief aanvaardbaar te krijgen.