maandag 16 november 2015

De National Novel Writing Month – de eerste veertien dagen

Woord, zin en een halve alinea
Na twaalf dagen schrijven aan mijn roman voor de National Novel Writing Month (ik ben pas op dag twee begonnen en heb mij twee pauze-dagen veroorloofd), ben ik bij het 31621e woord aanbeland.

En het woord luidt: ‘kwam.’

Daar hoort natuurlijk een hele zin bij: ‘Ik had allang mijn conclusies getrokken wanneer ik er telkens weer met een kater vandaan kwam.’

En om die zin een beetje te begrijpen, een halve alinea: ‘Als je telkens met goede verwachtingen er naartoe gaat en er de meeste keren toch weer van terugkeert met een kater, een kater ja – want altijd is er wel iets voorgevallen waarover je tegenover ons zit te klagen. In plaats van die dingen met ons te bespreken, zou je ze met hem moeten bespreken. En als hij er geen oor naar heeft, dan moet je je conclusies trekken. Ik had allang mijn conclusies getrokken wanneer ik er telkens weer met een kater vandaan kwam.’

Of ik over deze zinnen tevreden mag zijn, laat ik deze hele NaNoWriMo in het midden. Het gaat deze maand immers niet om de kwaliteit, maar om de kwantiteit.

Vorderingen en finish
Wanneer je de totaalscore op je profiel van NaNoWriMo invult, krijg je een balkje te zien, waarop staat aangegeven hoe ver je gekomen bent. Onder dat balkje is wat aanvullende informatie te vinden, bij voorbeeld dat ik behoorlijk voor op schema ben.
Verder staat er dat ik in dit tempo op 26 november de finish zal hebben bereikt. Dat zou mooi zijn, heel mooi. Want ik vermoed dat ik ook deze keer meer dan 50.000 woorden nodig zal hebben om het laatste deel van deze roman af te kunnen krijgen.

donderdag 29 oktober 2015

‘Vuurtje doven’ – een nieuw fragment uit ‘De behouden stilte.’




Hoofdstuk 2c (1918, 12 juni)

De ploegbaas zegt dat de schaft er op zit en giet de kan met koffie uit over de smeulende turven. Ernaast begint hij een flinke kuil te graven, waarin hij de as en de turfresten zal werpen. De laatst opgegraven en meeste natte aarde er overheen en dan de bovenste laag flink aanstampen en klaar is Kees.

Sinds de grote veenbrand van vorig jaar zijn we stukken voorzichtiger geworden. Van Valthermond tot Emmerschans vlamde het. Ze zeggen dat de meeste van die branden door na-smeulende koffievuurtjes zijn ontstaan. Het was lange tijd droog geweest, de zon was fel en de wind deed wispelturig. Daardoor kon het vuur flink aanwakkeren. Daardoor werd het nog onberekenbaarder dan veenvuur van zichzelf al is. Dan weer rende het in de ene richting, dan weer in de andere. Ze zeggen dat het vooral uit de hand is gelopen, omdat er zo weinig volk op het veen was. Zoals gewoonlijk aan het begin van een campagne waren de meeste arbeiders in staking om tot een redelijke loonovereenkomst te kunnen komen. Binnen de kortste keren stonden hele gebieden in de fik. Gelukkig niet bij ons, maar het kwam wel tot aan Emmer Compascuum. De brandweer hier in de buurt kon het niet aan. Die van Den Haag moest er aan te pas komen. Die beschikte over motorspuiten en stoomspuiten. Die hebben we hier niet. Ook soldaten uit Assen werden ingezet. Acht spannende dagen. Sommigen zeggen, het had zeker nog veel langer geduurd wanneer het niet was gaan regenen. En de Hondsrug heeft ook veel tegengehouden.

Hoeveel turfhopen en nog af te graven veen er door de vlammen verloren zijn gegaan, zal mij een zorg wezen. Maar die honderd en acht huizen en zeventien doden...

Wat een vlammenzee moet het zijn geweest. De rook waaide tot hier over. Zelfs in het westen van het land schijnen ze er last van te hebben gehad. Sommigen hier beweren dat alleen daarom de Koningin langs is geweest. Uiteraard in Valthermond, het zwaarst getroffen gebied. Maar ze bezocht ook Nieuw Weerdinge en Emmer Compascuum. Omdat, naar sommigen beweerden, zij in haar paleis het vanwege die rook zo op de longen had gekregen. Maar als je de berichten in de kranten hebt gelezen, dan ga je daar toch wel anders over denken. Volgens de kranten wilde de Koningin alles van nabij zien, trok ze zich niets aan van de regels en de protocollen en waagde ze het zelfs in haar nette kleren om over een noodbruggetje van twee of drie planken te gaan om met getroffenen te kunnen spreken, om hun een hart onder de riem te steken. Van zo’n Koningin moeten we het toch hebben. Als ik later ooit in nood kom, dan zal ik geen moment twijfelen om haar een brief te schrijven.

De laatste tijd droom ik van onze Koningin. Dat zij mijn vader beveelt dat hij mij moet laten gaan, dat ik niet langer meer met ma en mijn zussen hoef turven te keren op het zetveld. Omdat zij van de meester op de Lagere School heeft gehoord dat ik zes jaren lang alleen maar hoge cijfers heb gehaald. Elven en twaalven. In mijn dromen mag ik naar de HBS, op kosten van de Koningin. Maar wat zijn dromen?

‘Dromen kunnen waarheid worden,’ beweert mijn broer. ‘Kijk maar eens naar hoe wij vroeger hebben geleefd. In een plaggenhutje.’

Daar weet ik niks van, daar was ik veel te jong voor om mij dat te kunnen herinneren. Maar mijn broer en ook mijn zussen hebben het allemaal wel meegekregen. Die zijn trots op het huisje waarin we met z’n zevenen nu al tien jaar zitten. In een huisje aan de wijk, tussen veertien precies dezelfde huisjes. Ja, en voor al die luxe mag je dan door blijven ploeteren in het veen tot je er dood bij neervalt. Niet voor niks noemen we hier de vers gestoken en tegen elkaar aan gestapelde turven grafzerken.

’s Avonds aan tafel vertelt pa dat ze de man van Stientje Witvoet hebben gevonden. In een van de kanalen dreef ie. Niet ver er vandaan lagen zijn jas en pet, met er naast een voor driekwart leeg gezopen jeneverfles.

Pa kijkt ons een voor een aan. ‘Snappen jullie nou waarom ik jullie al heel vroeg heb leren zwemmen? Vanwege al dat vele water hier? En jij jongen,’ zegt hij met zijn blik streng op mij gericht, ‘jij moet oppassen. De ploegbaas heeft gezien dat je flink de armen uit de mouwen kunt steken en dat je sterk bent. Jij gaat het werk van Stientjes man overnemen. Vanaf morgenvroeg ga je niet meer turven keren. Vanaf morgenvroeg doe je mee met het schepenen. Ik waarschuw je, want daar wordt regelmatig gezopen. O wee als je ’s avonds thuis komt en ik betrap je met de walm van jenever om je heen. Dan ben je nog niet jarig. Ik heb er in mijn leven te veel dronken in het water zien vallen en aan de kant moeten slepen. Ik wil dit niet met jou meemaken. Nee, jij moet gewoon doorgaan met flink arbeiden en verder niks. Misschien kun je dan over een jaartje ook met mij en je broer meedoen met turf steken. En wie weet, blijft er dan eindelijk ook eens wat geld over voor een eigen fiets.’

woensdag 21 oktober 2015

De National Novel Writing Month: dertig dagen rammen


Schrijfwedstrijd
NaNoWrimo, voluit de National Novel Writing Month komt er weer aan: een schrijfwedstrijd, waar duizenden over de hele wereld aan meedoen. De opdracht van deze wedstrijd luidt: schrijf in de maand november een roman van minimaal 50.000 woorden.
Dat zijn ongeveer 170 bladzijden. Dat betekent minimaal vijf bladzijden per dag. En dat betekent weer dat je soms meer dan vijf bladzijden per dag moet halen, want soms knijp je er ook wel eens een avondje tussenuit. Te moe van het dagelijkse werk op kantoor, of waar dan ook. Of je hebt doodeenvoudig sociale verplichtingen, zoals het bezoeken van een verjaardagsfeest. En natuurlijk kan het ook eens gebeuren dat gewoon je hoofd het vertikt om mee te werken.

Regels en tips
Zet van te voren niets concreets op papier. Verzin eventueel wel al een plot. Vertrouw trefwoorden aan je Word document toe die de aanleiding zouden kunnen vormen voor een scène of een hoofdstuk. Maar begin pas daadwerkelijk met schrijven op 1 november, om 00.00 uur. Wie op 30 november 00:00 uur of eerder de 50.000 woorden heeft gehaald, is een winnaar en ontvangt een certificaat. Daarvoor moet je wel eerst je roman naar de site van NaNoWriMo uploaden. Een computer telt dan het aantal woorden en zendt je een machtiging om het certificaat te downloaden.

Rammen met je onderwerp
Vijftigduizend woorden in één maand tijd en in een enigszins samenhangend verband op je p.c. produceren: dat betekent rammen op je toetsenbord. Ja, jullie lezen het goed: rammen is het. Het zijn tenslotte maar dertig dagen.

En wat ga ik dan wel rammen?
In de novembermaanden van 2009, 2010 en 2011 schreef ik de eerste drie delen van ‘Gestolde Liefde.’ (in 2008, toen ik voor het eerst meedeed, was dat de oerversie van ‘De behouden stilte.’) Dit jaar zal het gaan om het vierde en laatste deel.

Eindresultaat
Als het me lukt, zal het eindresultaat van deze vier een-maand-sessies een roman zijn van bijna achthonderd bladzijden. Vooralsnog zal dan die bladzijden niemand willen lezen. Het gaat namelijk om een allereerste versie, waarin een hele hoop omslachtige zinnen zullen voorkomen. Zinnen die niet mooi lopen, ja zelfs ontsporen. En ook niet uitgewerkte verhaallijnen zal je er in aantreffen. En personages die in die roman uiteindelijk niets te zoeken hebben. Of nog erger: personages die op bladzijde 25 een meter vijfentachtig zijn en intelligent en op bladzijde 225 twee meter tien en theemutsendom.

Zin en onzin
De National Novel Writing Month, waar is het allemaal goed voor? Om met Shakespeare te spreken: Much Ado About Nothing? Want het valt niet te ontkennen: in korte tijd een meesterwerk schrijven, dat lukt een enkele keer alleen maar een Multatuli (‘Max Havelaar’, 7 weken), een Campert (‘Het leven is vurrukkulluk’, 3 weken), of een Mulisch (‘Twee Vrouwen’, 8 weken).
Wie meedoet aan de National Novel Writing Month weet dat het niet gaat om de kwaliteit, maar om de kwantiteit. Na 1 december begint pas het echte werk, zoals moge blijken over mijn berichtgevingen over ‘De behouden stilte.’ 

woensdag 14 oktober 2015

Die roman, ‘De behouden stilte’: hoe gaat het daar nu mee?

Vorderingen
Alle daarvoor in aanmerking komend researchmateriaal heb ik in de afgelopen vijf maanden omgezet in fictie. Dit researchmateriaal had ik in 2008 en 2009 al bijeen verzameld, kort na het schrijven van de eerste versie van ‘De behouden stilte.’ Dit jaar heb ik vooraf aan en tijdens het verder werken aan deze roman via internet noodzakelijk aanvullend materiaal opgespoord en waar wenselijk ook dat in fictie omgezet.

Thematiek en kwantiteit
In hoofdlijnen betreft dit researchmateriaal (verzameld in 2009, 2008 en 2015):
Het werken en de leefomstandigheden in het veen van Zuidoost Drenthe tussen 1900-1925;         
Het landschap, de ontginning en de middelen van bestaan in Zuidoost Groningen tussen 1900-1939;
De werkverschaffing daar tussen 1924-1939;    
Een bepaald werk-, later concentratie- en nog weer later interneringskamp aldaar tussen 1935-1948;
De Jodenvervolging tussen 1940-1945, specifiek in één dorp van Zuidoost Groningen.
Aan fictie heb ik nu zo’n negentig bladzijden beschikbaar om tussen te voegen aan de eerste versie van ‘De behouden stilte.’

Kwaliteit en zinnigheid
Dat wil nog niet zeggen dat alles uiteindelijk geschikt zal zijn. Er moet nog veel aan de tekst geschaafd worden. Ook van sommige teksten valt nog te bezien of het inpasbaar in de lijn van de roman kan worden gemaakt. Geschiedschrijving alleen is in een roman weinig zinvol: geschiedschrijving in een roman is alleen zinvol wanneer de personages deel gaan uitmaken van de Geschiedenis. En dan nog: alleen een ooggetuigenverslag, zelfs in monologue intérieur, kan in een roman behoorlijk de plank misslaan.

Geschiedenis in dienst van het personage, en niet andersom
In een aantal teksten zijn personages onderdeel geworden van de Geschiedenis, bij een aantal teksten moet dit nog gebeuren. Lukt dit niet, dan blijft er niet veel over dan zo veel mogelijk van die specifieke Geschiedenis te schrappen. Te veel Geschiedenis trekt de constructie van de roman scheef. En romans met een overgewicht aan geschiedschrijving, die storten in, dat zijn mislukte romans.

En nu?
Zo. Schrijver Eric Steiner heeft gesproken. Hij is ook voorlopig even klaar met ‘De behouden stilte.’ Het is tijd om het tot nu geschrevene te laten bezinken. Afstand nemen om daarna met frisse blik er weer mee aan de slag te kunnen gaan.

woensdag 30 september 2015

Hij is er! De Verhalenbundel ‘Waar ik wakker van lig.’



Papa wil niet meer gaan kijken. Mama wel. Met haar vlakke hand klopt ze over de dekens, rond en langs mijn voeten en benen, langs mijn lijf en schouders en op het kussen, links en rechts en boven mijn hoofd. Als ze haar arm weghaalt, zegt ze: ‘Nou, zie je wel dat er geen Grote Boze Wolf in je bedje ligt?’


Zo begint mijn verhaal ‘Geen Grote Boze Wolf’ dat op de tweede plaats eindigde van de door Schrijverspunt uitgeschreven schrijfwedstrijd ‘Waar ik wakker van lig.’
En nu is de verhalenbundel er met daarin de 33 beste inzendingen. Nieuwsgierig naar de rest van mijn verhaal? Nieuwsgierig naar alle 33 beste inzendingen? Koop dan en lees ‘Waar ik wakker van lig.’ Vanaf 1 oktober verkrijgbaar via de boekhandel en Bol.com.


woensdag 23 september 2015

Schrijven, leven en geluk

Voor schrijven moet je tijd en vooral veel geduld hebben.  

Tijd voor schrijven gaat vaak ten koste van wat je daarnaast nog met je leven zou kunnen doen: je te veel afzijdig houden van de mensen om je heen zou je minder gelukkig kunnen maken; bovendien is het niet goed voor je creativiteit.

Geduld tijdens het schrijven geeft ontspanning, als het een beetje mee zit ook in je dagelijkse omgang met mensen. Dat kan inspirerend werken.

Mensen leer je beter kennen, door over mensen - al dan niet verzonnen - te schrijven. Na verloop van tijd zou je je makkelijker in iemands situatie of denkwereld kunnen verplaatsen. Dat leert je relativeren - en daar zou je dan weer gelukkiger van kunnen worden. Misschien baant innerlijke rust wel de weg voor een meesterwerk.

Zaak is dus: voor je zelf een goede evenwicht zien te vinden tussen leven en schrijven.

woensdag 2 september 2015

Strippenkaart

De strippenkaart, wie kent hem nog? De laatste twee keren dat ik een akkevietje had om een strippenkaart, was op donderdag 30 december 2010. Ik weet dat nog zo goed, omdat ik er een blog aan gewijd had op het toen nog florerende Hyves:

Een griet achter de toonbank
Ze is nieuw, ze is jong. Ik heb nog een paar minuten om mijn trein te halen. Gelukkig rekent de man voor mij zijn koffie en saucijzenbroodje snel af. Hij schuifelt weg naar de uitgang en zij kijkt me met verwachtingsvolle ogen aan.
‘Een 45-strippenkaart, graag.’
‘Ik geloof niet dat ik die nog heb.’ Ze trekt de lade van de kassa open. ‘Ik heb ook geen 15-strips meer.’ Ze steekt een bundeltje in de hoogte. ‘Ik heb alleen nog deze grijze. Hebt u een kortingskaart? Nee? Dan kan ik u niet helpen, meneer.’
Het is toch niet te geloven. Die griet is voordat ze haar NS perronkiosk opende, domweg vergeten een nieuwe voorraad strippenkaarten mee te nemen.
‘Nou, dat vind ik eigenlijk helemaal niet zo mooi,’ zeg ik. ‘Straks als ik in Almelo aangekomen ben, moet ik met de bus. Ik heb dan maar vijf minuten om daar op het station een strippenkaart te kopen.’
‘U kunt het misschien hier beneden even proberen, bij de Bruna.’
‘Ja, maar over vier minuten vertrekt mijn trein! Goedemiddag!’

Informatie verstrekken moet de NS
Natuurlijk komt de trein later. Veel later. Minstens vijfentwintig minuten. Ik heb ruimschoots de tijd gehad om beneden bij de Bruna te informeren naar een 15- of 45-strippenkaart. Maar dat heb ik dus niet gedaan. Omdat nergens stond aangegeven, omdat nergens werd omgeroepen, hoe veel vertraging die trein precies zou hebben. Ik had hem elk moment verwacht.

Economisch denken moet de mens
De NS perronkiosk van Almelo is vol. Waarschijnlijk vanwege de kou. Bij de kassa staan twee mannen van de spoorwegpolitie. Gelukkig keuvelen ze alleen maar wat met de twee dames van de bediening. Door de jongste word ik meteen geholpen. Maar als ik mijn wens heb kenbaar gemaakt, zegt ze: ‘Die zijn er niet meer.’
‘Hoe kan dat nou,’ zeg ik, terwijl ik mijn portemonnee hard op de toonbank laat neerkomen. ‘In Deventer waren ze ook al door de voorraad heen.’
‘Ja, daar kunnen wij ook niets aan doen, meneer. We hebben ze besteld, maar ze worden zo kort voor het nieuwe jaar niet meer uitgegeven. Op is op.’
‘Nou, dat is wel heel erg economisch gedacht!’

Een engel achter de toonbank?
‘Wacht eens’ zegt de oudere bedieningsdame. ‘Heeft u een momentje?’
‘Ja, ik heb mijn bus nu toch al gemist. Door al dit gedoe kom ik een uur te laat op mijn werk.’
Ze loopt naar achteren. Drie minuten later komt ze trots terug met een heel pakket 45-strippenkaarten. ‘Kijkt u eens?’
Zegt de jongere: ‘Dat zijn de verkeerde, hoor.’
‘Hoe dat zo,’ vraagt de oudere.
‘Dat zijn de nieuwe. Die zijn pas vanaf 1 januari geldig.’
‘Nou,’ zeg ik, ‘dan zit er niks anders op dan een kaartje in de bus te kopen. Is er een pinautomaat in de buurt?’
De jongere staart naar het plafond en zegt langzaam: ‘Nee?’
‘Kan ik dan een kopje koffie van u krijgen en dat u mij dan een tientje terug geeft?’
'Ja?'
Twintig minuten later zit ik eindelijk in mijn bus, met een in die bus gekocht kaartje. Die is bijna een keer zo duur als wanneer ik een stempel had laten slaan op een geldige 45-strippenkaart, afkomstig van een NS- of Bruna-kiosk.
Those were the days.