Posts tonen met het label 'De Behouden Stilte'. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 'De Behouden Stilte'. Alle posts tonen

zondag 28 december 2025

Neussnuivers

Ze waren laat. Kort voor hun vertrek had hij een zware buik gekregen en plotseling naar de wc had gemoeten. Er was niks gekomen. Om het weer een beetje goed te maken, snelde hij een eindje voor papa uit. 
In de bocht van de Dorpstraat zag hij hem verschijnen. 
‘Hij komt er al aan!’ Hij stak zijn hand in de hoogte. ‘O, nee. Die moeten we niet hebben, die is Gereformeerd.’
Papa grinnikte om hem en toen zag ook hij zijn vergissing in.
 
Het was een lange rit, met in het begin twee keer overstappen. Daarna gingen ze over een weg langs een kanaal met hier en daar rijtjes arbeiderswoningen die zich een hoogst enkele keer uitbreidden tot een dorp. Behalve als er werd gestopt en weer verder gereden, maakte de bus een en het zelfde kalme ronkgeluid. Verveeld vroeg hij: ‘Waarom zitten er bijna geen bochten in de weg?’
‘Omdat het kanaal recht is,’ zei papa. ‘Lang geleden hebben ze hem aangelegd voor het vervoer van turf. Ze haalden hier massa’s veen uit de grond. Turf, dat is gedroogd veen. Al die dingen hebben ze jou toch wel onderhand op school geleerd?’

Dat de rit zo lang duurde, was aan een kant ook wel fijn. Hij was een beetje bang voor daarna. Om die angst weg te drukken, dacht hij terug aan de vissnoergitaar die papa voor hem had gebouwd. Hijzelf had in klankkast een spijkertje krom getikt en daaraan een koord gehaakt dat oorspronkelijk bedoeld was om er ondergordijnen mee in ramen op te hangen. Het andere uiteinde had hij achter de Erres radio laten verdwijnen. Onder de glazen asbak. Die was zwaar genoeg. De radio bovenop het dressoir, dat was zijn versterker.

Waren er geen arbeiderswoningen, dan had je links en rechts uitgestrekte bietenvelden, velden bedekt met aardappelloof of vol korenstoppels met bij de oprit opeengestapelde stropakken. Ook weilanden met koeien. Soms paarden. Je kon kijken tot aan de wolken die vlak boven de horizon hingen. Het enige echt interessante was eigenlijk die lange rij hoogspanningsmasten waartussen slap gespannen draden hingen.

De vissnoersnaren, die waren strak gespannen. Ze hadden elk een andere toonhoogte. Met een beetje fantasie – en dat had hij – speelde hij zo mee met The Rolling Stones en The Beatles. Die konden een heel bijzonder geluid uit hun gitaren halen. Het snerpende aan het begin van I Can’t Get No Satisfaction dat in elk refrein terugkeerde. En dan die nog nooit eerder gehoorde Nnnnouwahhh! waarmee I feel Fine begon.

Tegenover het treinstation van Assen dronken ze in een cafĂ© een glaasje ranja. In zijn verbeelding ging hij door met gitaar spelen. Zijn fans gilden al net zo hard om hem als om The Beatles en The Rolling Stones. Voor zijn neus stond de standaard van mama’s stuk geraakte droogkap. Dat was zijn microfoonstandaard, de daaraan met plakband vastgemaakte koplamp van een fiets de microfoon. Welk liedje zou hij gaan zingen? I Can’t Get No, of toch I Feel fine?

Nadat hij een tweede gevulde koek had gekregen en opgegeten, zei papa dat het zo langzamerhand tijd werd.

Ze liepen een eindje over een straat, gingen een spoorwegovergang over, volgden weer een straat die evenwijdig aan het spoor lag. Hij voelde zijn hart kloppen en zijn buik werd weer zwaar.
Links doemde voorbij struiken een rechthoekig gebouw op. Het had een puntdak. In het midden, dwars op die puntdak, was er nog een puntdak, met daarachter een kleine, smalle torenspits. Net een kerk. 

Binnen moesten ze even zitten wachten op een bank en toen werden ze door een aardige mevrouw naar een ruimte gebracht, waar ze aan een tafel plaats namen. Het rook hier vreemd. Naar een scherp schoonmaakmiddel. Alles was hier vreemd. Er zaten mensen bijeen, maar er werd bijna niets gezegd. Het gerinkel van de lepeltjes in koffie- en theekopjes klonk daardoor extra hard. 

Vlak achter hem zat iemand heel diep adem te halen. Dat ging vast door een neus vol haartjes of snot. Het ging maar door. Echt een neussnuiver. Of snuifster. Sliep die persoon?
Hij wilde zich omdraaien, maar liet zijn aandacht al weer gaan naar iemand anders. Een man die wiegende bewegingen maakte en afwisselend zijn linkeroor aanraakte en een haarlok voor zijn ogen wegschoof. Ook die snoof diep. Als je goed luisterde, bleken er nog heel wat meer mensen die dat deden. De ruimte zat vol neussnuivers.

Een mevrouw een eindje links van hem begon te lachen. De mensen aan haar tafel bleven ernstig. Ze had vast een mop voor zichzelf bedacht.
Hij keek weer naar de wiegende man.
‘Let maar niet op hem, die is toch gek.’
Het was de neussnuiver achter hem die dat had gezegd. Hij droeg een wilde baard en hij knikte vriendelijk. Nadat de vrouw aan zijn tafel hem had gevraagd ‘En hoe is het nu met je?’ begon hij weer te neussnuiven.

‘Daar is mama!’
Een zuster bracht haar naar binnen. Hij wilde naar haar toe rennen, maar papa greep hem bij de arm. ‘Eerst zien hoe het met haar is.’ 
 Mama glimlachte. Toen ze was gaan zitten en de zuster was verdwenen, legde hij even zijn hoofd in haar schoot.

Mama bleef maar naar hem glimlachen. ‘Hoe gaat het op school?’
Dat vond hij een vreemde vraag. Was ze dan vergeten dat hij over mocht en dat zijn vakantie pas volgende week voorbij zou zijn?
Hij keek papa aan. Papa had hem verteld dat hij niets moest zeggen wat haar verdrietig kon maken. Mama wist niet meer waar ze mee moest beginnen, eerst de afwas, of toch maar stofzuigen. Daarom was ze hier.
Hij dacht aan de here God die alles zag en hoorde. Ook dat je loog.
Een klein leugentje, dat zou de here God hem toch wel willen vergeven? Vooral als het was om je mama niet verdrietig te maken?

‘Gaat wel,’ zei hij.
Hij wist meteen dat ze zijn leugentje doorzag. Omdat hij over zijn antwoord zo lang gedaan had. Dacht ze nu dat het met hem niet goed ging op school? Gelukkig maar dat hij haar niet had verteld dat Fred weer bij hem in de klas kwam, want dan had hij haar moeten uitleggen dat die op zijn beurt wel was blijven zitten en dat zou haar ook verdrietig kunnen maken. Maar dat hij in de klas weer een vriendje kreeg, dat zou ze fijn vinden, daar werd ze toch weer blij van?

‘Je ziet er goed uit,’ zei papa. 
‘Ja’, zei ze. ‘Wanneer mag ik weer naar huis.’
‘Dat kunnen we beter aan de artsen overlaten.’ 
‘Maar het huishouden.’ 
‘Maak je daar nou maar geen zorgen over, we krijgen binnenkort gezinshulp. Het belangrijkste is dat je weer beter wordt.’
De mevrouw een eindje links van hem begon weer te lachen.

Papa en mama hadden het nog over andere dingen. Ze zag er misschien wel goed uit, ze praatte toch anders. Langzamer en ook een beetje op dezelfde toon. De meeste tijd zeiden papa en mama niks.

Opeens stond de zuster achter haar. ‘Zo, mevrouw Buck, ik kom u weer ophalen.’ Tegen papa zei ze: ‘Neem rustig afscheid, ik wacht wel bij de bar.’ 
Toen ze weg was, vroeg papa of hij de volgende keer iets voor haar moest meenemen. ‘Kleren? Pyjama’s, kousen, ondergoed? Een geurtje, iets lekkers?’ 
Mama snifte. Ging ze nou ook neussnuiven? Er gleed een traan over haar wang. Papa was al opgestaan en zij bleef zitten. Ze keek om zich heen en zei: ‘Ik wil hier weg. Ik wil hier weg.’
Hij legde zijn hoofd terug in haar schoot.


(Hoofdstuk 14 van ‘Gestolde Passie’ – roman in uitvoering)



zondag 27 juni 2021

Ex-schrijver?

 


‘Ha, ex-schrijver!’ zei een van mijn blogvolgers die ik in de supermarkt tegenkwam. Al twee jaar lang had hij geen nieuwe post op mijn blog meer gezien, hij ging ervan uit dat ik de pen aan de wilgen had gehangen.

Niets is echter minder waar.

De afgelopen twee jaar heb ik me eigenlijk alleen maar beziggehouden met schrijven. Van fictie. Alle energie had ik daarvoor nodig. Een periodiek stukje op mijn blog moest er zelfs voor wijken.

Ik wil niet zeggen dat ik tijdens die twee jaar van mijn afwezigheid in verre oorden heb verkeerd en er mijn ziel heb verkocht aan de duivel om een betere schrijver te kunnen worden. Ik heb wel mijn best gedaan. Om mijn ziel te verkopen? Nee, om er eentje te worden: een betere schrijver. 

Veel tijd heb ik besteed aan ‘De behouden stilte.’ Die is nu zo goed als af. Ja, ik neem een slag om de arm, ik ben behept met een hang naar perfectionisme. Maar ik weet ook dat het perfecte boek niet te schrijven valt. Als dat zo was, konden alle schrijvers zich intussen allang laten begroeten met: ‘Ha, ex-schrijver!’

Uiteraard ben ik van plan om door te gaan met schrijven. Ook op deze blog.

 



vrijdag 28 juni 2019

Uit op de totale chaos (1921, 10 april) – romanfragment uit ‘De behouden stilte’





Bron foto: 
http://emmen.serc.nl/nostalgie-en-oude-fotos/emmer-compascuum/emmer-compascuum-veenbrand/


De rook vanuit de wijde omgeving zit al dagen in onze neus. We hebben net het middageten op, staat ie opeens in onze kamer. Jelle. Neemt zelfs zijn pet niet van zijn kop. Heeft angst in de ogen. ‘Jullie hebben niks door, hè? Het veen staat nu ook bij ons in brand!’
Pa en mijn broer Gerard komen overeind en ook mijn zussen willen gaan kijken. Ma smeekt: ‘Blijf alsjeblieft binnen.’ Ze weet alleen mijn zussen bij zich te houden.

Jelle gaat ons voor. Overal in het veen stijgen her en der grauwzwarte wolken op. Uit kraters. Met woelstokken en staken proberen mannen het ondergrondse vuur meester te worden. Eentje kijkt op, tuurt langs ons heen. ‘Wanneer komt nou eindelijk eens die verdomde brandspuit! Straks wordt het hier nog erger dan in Weerdinge.’

Gerard biedt meteen zijn hulp aan en krijgt een woelstok in de handen gedrukt. Ik wil ook helpen. Pa trekt mij terug. ‘Daar ben jij nog veel te jong voor.’
Daarom blijft ook Jelle staan toekijken, denk ik. Moeten er niet meer mannen gaan helpen? Waarom kijkt iedereen toe?

Buurman Kootstra komt naast pa staan. Pa vraagt hem: ‘Weet jij wat er in Weerdinge is gebeurd?’
‘Daar zijn gisteren zestien huizen in vlammen opgegaan. En waarom? Omdat een stelletje communisten en anarchisten daar de turfhopen in de fik heeft gestoken.’
‘Wie zegt dat ze aangestoken zijn? Het is al weken kurkdroog. Geen spat regen gevallen.’
‘Bij een paar van die turfhopen zijn in petroleum gedrenkte doeken aangetroffen,’ zegt Kootstra. ‘Is dat geen bewijs genoeg?’
‘Evengoed kan het een vervener zijn geweest. Om het verzekeringsgeld op te kunnen strijken. Want geen boot die de turf nog wil afnemen. Sinds de oorlog voorbij is, is alles weer kolen wat de klok slaat.’
Kootstra schudt zijn hoofd. ‘Er is ook ergens een biljet aangetroffen, waarop stond, zo veel mogelijk turfhopen in brand te steken. En als het veenvuur gedoofd is, naar de fabrieken te gaan om die ook in brand te steken. Dat zijn toch duidelijk woorden van communisten en anarchisten? Die zijn er enkel op uit om alles in vlammen op te doen gaan. De turfhopen, het veen zelf, en de huizen. Zodat ze op de as hun nieuwe maatschappij kunnen stichten. Daarom hebben ze uitgerekend tijdens een storm die turfhopen in de fik gestoken. Tijdens een storm! Die lui willen ons helemaal niet helpen aan een betere loon of aan werk. Ze zijn enkel uit op de totale chaos.’

Kootstra’s blik gaat van pa naar mij, en van mij door naar Jelle. ‘Ben jij ook niet een van hen? Heb ik jou niet zien meelopen in die stakingsoptocht in Stadskanaal?’
‘Wie, ik?’ probeert Jelle. ‘Nee, hoor.’
Volgens mij wel,’ zegt Kootstra. ‘Of niet.’ Hij stoot de man rechts van hem aan, zonder zijn blik van Jelle af te houden, en ook de man zegt dat hij Jelle in Stadskanaal heeft gezien. Tussen die horde van communisten en anarchisten.
Jelle ontkent opnieuw.
Stapt er een vrouw naar hem toe. ‘Jij was het. Ik twijfelde even, maar nu weet ik het zeker. Jij was het die bij ons de ruiten ingeslagen heeft. En waarom? Omdat wij niet in staking zijn gegaan.’
Jelle schiet weg. De twee mannen en de vrouw achter hem aan. Dan arriveert de motorspuit.



vrijdag 14 juni 2019

Kleerscheuren en schrammen (1921, 2 april) - romanfragment uit ‘De behouden stilte’


Aan de wijk zit ik naar het stuiven van het kurkdroge veen te kijken. Het heeft al weken niet geregend.
Over de brug klinken voetstappen. Jelle. Hij komt mijn kant op. Een mouw zit nog slechts met een paar steken aan zijn jasje vast. Op zijn wang zitten een paar vage schrammen. Om zijn polsen ook. Die heeft hij vast opgelopen tijdens een van die stakersbetogingen. Hele horden zijn naar verschillende dorpen en plaatsen getogen om hun mening kenbaar te maken. Ik heb gehoord dat het vorige week in Stadskanaal mis ging. De politie heeft daar de menigte roekeloos uit elkaar geslagen. Is Jelle daarbij aanwezig geweest? Vast. Gevochten met de politie. Of anders wel met een paar van die lieden die ook niks willen hebben van stakers.

Hij groet me en zet zich naast me neer in het gras. Tuurt naar de overkant van het water. Pas als ik hem heb gevraagd hoe hij aan die kleerscheuren en schrammen komt, breekt hij los.
Mijn vermoeden blijkt juist, hij was in Stadskanaal. En door die opgelopen kleerscheuren en schrammen is hij nog fanatieker geworden, nog meer overtuigd van zijn zaak. ‘Krijgen de veenarbeiders eindelijk steunverlening van de gemeente. Besluit de minister dat dit niet geldt voor de stakers. Vind je het gek dat de staking gewoon door gaat. Nou, doe je nog mee?’

Ik heb van mijn broer Gerard vernomen wat voor organisatie er achter die stakingen zit. Het zogenaamde Revolutionaire ComitĂ© der Veenstreken. Bestaat uit communisten en vrije Socialisten. Die vrije Socialisten, dat zijn volgens Gerard pure anarchisten En wat wil dat Revolutionaire ComitĂ©? Niet alleen hogere lonen voor de werkende arbeiders en financiĂ«le steun voor de mensen die geen werk meer hebben – vooral ook de uiteindelijke revolutie. Wat zal het dan een feest worden in de wereld.
   
Hoe leg je dat uit aan een kameraad? Een kameraad, waar je zo veel lol en plezier mee hebt beleefd, maar die zich nu heeft laten meedrijven door zijn pa en nog heel wat meer opstandige mannen die het allemaal beter menen te weten?
‘Ik zal er nog eens over nadenken, Jelle.’
Voor mezelf heb ik allang een besluit genomen. Steeds meer veenbulten zijn de afgelopen tijd in de fik gegaan. Waarschijnlijk zijn ze aangestoken. Daar wil ik niks mee te maken hebben.

vrijdag 17 mei 2019

Gratis broden voor iedereen (1921, 8 maart) – romanfragment uit ‘De behouden stilte’


Bakker Veldkamp heft zijn hoofd en blijft over onze schouders heen blikken. Ik kijk achterom. Weldra staan alle klanten naar de ruiten gekeerd. Daar komt heel wat volk aangelopen. Witte, bruine en zwarte petten. Hun gezichten staan donker, hun handen zijn gebald. Sommigen hebben een stok bij zich.

‘Die zijn boos’, zegt de man die zojuist van de bakkersvrouw een heel brood heeft gekocht. ‘Goedemiddag’, en hij wil zich uit de voeten maken. Maar een van die lui uit de straat heeft de winkeldeurknop al in zijn hand. Door een hele meute worden we opzij geduwd. De deur kunnen we niet meer bereiken, zo vol raakt het hier. Buiten blijven nog talloze petten staan.

De bakkersvrouw is naar de achterkamer gevlucht. ‘Wat moeten jullie?’ vraagt Veldkamp. ‘Als jullie tegen te lage lonen willen demonstreren, dan moeten jullie niet bij mij zijn, maar bij de verveners.’
‘De verveners hebben geen geld,’ zegt de man die als eerste de winkel was binnengekomen. ‘En wij hebben ook geen geld. Een mens moet eten. We hebben al drie dagen niets meer gehad. We zijn uitgehongerd. We willen alle broden van je. Gratis broden voor iedereen.’

‘Zonder te betalen? En waar moet ik dan van zien rond te komen?’
‘Als je ons je broden niet geeft, dan pakken we ze zelf.’
‘Denken jullie soms dat wij het zo rijk hebben? Je kunt toch niet zo maar mijn winkel leeghalen! Wie zijn jullie eigenlijk. Ik ken jullie geen van allen. Jullie zijn niet van hier. Waarom gaan jullie geen broden halen bij de bakker in jullie eigen dorp?’

‘Kom op mannen!’ roept iemand. ‘Genoeg geouwehoerd. Als die bakker ons zijn broden niet wil geven, dan slaan we de boel toch ook nog eventjes mooi kort en klein?’
‘Ja, ja!’ roepen ze allemaal door elkaar. ‘Kom op met die broden!’

Buiten klinkt een knal. Ik - iedereen in de winkel duikt ineen, laat zich op de vloer vallen en als dat niet mogelijk is, bovenop een ander. Was dat een geweerschot? Ja. En er klinken nog meer schoten. Had ma me maar nooit voor boodschappen op pad gestuurd. Rondom mij is geschuif, getrap en gegraai. Iemand trekt aan mijn broek en jasje en probeert achter mij te kruipen, zo ver mogelijk van de deur en de ramen vandaan. Hij lijkt zelfs door de wand heen te willen. Een magere kerel met een piepende ademhaling.

Ik waag het om over al die ademende lichamen heen te gluren. Bakker Veldkamp staat nog steeds achter de toonbank. Trots? Triomfantelijk? Als er een paar overeind durven komen, doe ik het ook.
Er staat marechaussee in de straat, wel vijftig man. Hun commandant houdt een pistool in de lucht. ‘Naar buiten,’ roept hij. ‘Allemaal!’
Maar ik heb toch niks gedaan?

zaterdag 8 december 2018

De National Novel Writing Month – acht dagen na de finale


Ik heb het gehaald! Nadat ik op 29 november als laatste actie de tekst in hoofdstukken had opgedeeld, kwam de totaalscore te staan op 52400 woorden.




Dat is mooi. Maar voordat er iemand buiten mij ook maar iets van ‘Bureau Crommenlinck’ te lezen krijgt, zal ik er nog heel wat werk aan moeten verrichten. En voordat ik daaraan begin…

Het wordt tijd dat ik verder ga met ‘De Behouden Stilte,’ de roman die ik in 2008 in eerste versie geschreven heb tijdens mijn eerste NaNoWriMo. Hoeveel woorden er sindsdien uit mijn vingers zijn gevloeid… Woorden vooral bestemd voor andere projecten.
Ja, het wordt hoog tijd dat na ‘De IJskoning’ en ‘Eksteroogs Diagnose’, ‘De Behouden Stilte’ definitief wordt afgerond.

Aan de slag!

dinsdag 6 februari 2018

Met de oortjes naar achteren – een jeugdherinnering

zoals vanuit het perspectief van mijn vader weergegeven in de roman ‘De behouden stilte’:

Dat Maarten nu maar snel komt, dan is alles zo voorbij. Hij is daar ondanks zijn lamme hand erg handig in. Hij doet het nog wel bij meer mensen als die er om vragen. Hoe hij het voor elkaar krijgt? Hijzelf zegt: ‘Gewoon je verstand op nul zetten.’

Kijk daar heb je hem al. Op de fiets, en met een gezicht alsof hij even een bezoekje komt afleggen.
Louise schenkt koffie in. Hij vertelt de nieuwtjes uit het dorp, neemt Eric op zijn knie en speelt paardje met hem, zingt er een liedje bij. ‘Hop, hop, hop. Het paardje gaat in galop’
Tussendoor drinkt hij zijn koffie.
‘Zo,’ zegt hij na een tijdje, ‘klim er nu maar weer vanaf. Ga maar gezellig met je zusje spelen.’

Tina, die weet wat er te gebeuren staat. Ze pakt Eric bij de hand, doet geheimzinnig en lokt hem mee naar onze slaapkamer. Op ons bed giert ze het uit en roept ze dat hij zijn hoofd in de kussens moet verstoppen. ‘Waarom dan?’ vraagt hij. Ze heeft de deur opengelaten en ik zie dat ze hem in de kussens drukt en zelf duikt ze er ook in weg. Samen maken ze een hele hoop kabaal. Vandaag mogen ze.
‘Zal ik dan maar?’ zegt Maarten.

Zelf krijg ik het niet over mijn hart. Maar Maarten zet zijn verstand dus op nul. Haalt ze bij hun moeder vandaan, legt ze – zo stel ik me dat voor - een voor een in de arm van zijn lamme hand, in een mooi rijtje. Ze hebben de ogen nog dicht en piepen als vogeltjes, met de oortjes naar achteren. Nog geen drie dagen oud.

In zijn arm draagt hij ze naar buiten. Ik blijf binnen en zeg Louise dat zij ook binnen moet blijven. Wat komen gaat vindt ze verschrikkelijk. Maar ze begrijpt dat het nodig is. Anders komen er te veel en breek je er je nek over.

Hij zal over ons paadje tot halverwege de weg lopen, ze in het gras leggen en met een schop een tegel uit ons paadje lichten. In het gat van die tegel legt hij ze dan op de aarde neer. Vier op een rijtje. ‘Het gaat heel eenvoudig,’ heeft hij me verteld. ‘Het is zo gepiept.’

In ons bed blijft Tina krijsend en gillend aan het stoeien met Eric. Hij schatert het uit.

Als Maarten de tegel heeft teruggeplaatst en goed aangedrukt, zodat je niet kunt zien welke er voor is gebruikt, zal hij terugkomen. Kijk, daar heb je hem al.
Louise schenkt ons een tweede kop koffie in. Het eerste wat Maarten zegt, is: ‘Wanneer gaan wij weer eens vissen?’ Alsof hij even melkbussen aan de kant van de weg heeft gezet, in plaats van jonge katjes geholpen naar het hiernamaals.
Morgen zal ik Eric vertellen dat ze waarschijnlijk weggelopen zijn, zoals vroeger wel eens een hond.

GeĂŻnteresseerd in meer fragmenten? Klik  rechts op de cover van ‘De behouden stilte’.

maandag 6 november 2017

National Novel Writing Month 2017


Dit jaar doe ik voor de zesde keer mee met de NationalNovel Writing Month. Dat betekent dat ik zal proberen een eerste versie van een roman van minstens 50.000 woorden te schrijven, en dat in dertig dagen tijd.

Was de eerste keer nog het onderwerp het leven van mijn vader, wat resulteerde in de allereerste en aller ruwste versie van ‘De Behouden Stilte’ – nu zal het gaan over het leven van mijn moeder.

Ik had al veel eerder over haar willen schrijven, een paar maanden na haar overlijden in 1996. Maar ik ben toen niet verder gekomen dan anderhalve bladzijde. Het was allemaal nog te dichtbij.

En nu is de afstand zo groot, zullen sommigen denken, dat het moeilijk wordt om al die herinneringen weer naar boven te halen.
Dat hoeft niet. Wanneer je in de tegenwoordige tijd schrijft en voor het grootste deel het principe van Show, don’t tell hanteert, heb je al veel gewonnen. Schrijven alsof je het nu beleeft.

De vooruitzichten zijn goed. Dit is nog maar dag zes en mijn manuscript bevatte gisteravond 8516 woorden. Dat is precies op schema. Dat betekent niet, even lui achterover hangen. Nee, meteen weer aan de slag.

woensdag 28 juni 2017

Bier in het veen – een excursieverslag




Aanleiding en gevolg
Een goede vriend had nog een verjaardagscadeautje voor mij. In een gehuurde auto nam hij mij mee naar het Veenpark in Emmer Compascuum. 
Kruidenierswinkeltje, schoenmakerij, ijzergieterij en arbeiderswoninkjes in- en uit lopend, merkten wij al gauw dat ons voorbeeld werd gevolgd door een gezelschap van uit grote blikken bier drinkende Duitsers. Dat moet rond half twaalf zijn geweest.

Rond een trekkarretje
Na een pauze met spekpannenkoeken lieten we ons in een treintje vervoeren naar een terrein, waar een demonstratie turfsteken zou worden gegeven. Ook het Duits sprekende gezelschap zat in dat treintje. Het was nog steeds aan het bier.
In onze wagon hadden ze een trekkarretje gezeuld. Daarin zaten niet alleen rugzakken, maar ook de nog te verorberen zilverglanzend blikken bier. Ik meende zelfs tussen de rugzakken een drietal flessen sterke drank te kunnen ontwaren.

GeĂŻnteresseerdheid
Het gezelschap - althans dat deel dat in onze wagon tegenover ons zat - was tamelijk luidruchtig, niet agressief, maar vrolijke. Duidelijk luisterden ze niet naar de uit luidsprekertjes komende informatie over het gebied waar het treintje ons doorheen trok. Beneveld of niet, ze verstonden er waarschijnlijk toch geen woord van, want het werd in het Nederlands gegeven. Een enkele stille bierdrinker had zich gebogen over een mobieltje en liet regelmatig foto’s of filmpjes aan zijn buurman zien, waar beiden hartelijk om moesten lachen.

De zin van een Veenparkbezoek
Al die informatie die zij vanaf het betreden van het Veenpark in hun hoofden hadden opgevangen – ik vroeg mij af wat ervan zou bijblijven, wat er mee zou worden gedaan. Of er ĂĽberhaupt iets met die informatie kĂłn worden gedaan met alcohol op.
Ikzelf had die informatie vanaf onze binnenkomst met gretigheid in mij opgenomen. Logisch, want mijn vader heeft vroeger niet ver van dit Veenpark vandaan turf gestoken en ik was bezig met een roman over zijn leven.

Een demonstratie turfsteken met goede afloop
Tijdens de demonstratie turfsteken – waarbij overigens maar één turf op de spade ging, omdat wettelijk niet meer is toegestaan (turf raakt op) - dacht ik, hoe deze zware arbeid voor mijn vader als jongen moet zijn geweest.
Het bierdrinkende Duitse gezelschap was boven op de wal blijven staan en luisterde denk ik maar half naar wat de turfsteker ons te vertellen had. Toen de turfsteker klaar was met zijn verhaal, waren echter een paar leden uit dat het bierdrinkende Duitse gezelschap wel de eersten die de man trakteerden op een applaus.

donderdag 16 februari 2017

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroog’ – deel I


door
Sophia DĂ©sedan 

In je ‘Schrijversjaarverslag 2016’ noemde je als een van je twee grote projecten: de roman ‘Eksteroog.’ Lezers die je al een tijdje op deze blog volgen, zullen zich afvragen waar dit stuk proza van jouw hand opeens vandaan komt, want op deze site heb je d'r tot nu toe nauwelijks aandacht aan besteed.

Komt ‘Eksteroog’ zo maar uit de lucht vallen?

Nee, het manuscript bestaat al sinds 1998. Sommige fragmenten zijn in hun oorspronkelijke vorm van twintig jaar eerder. En de oerknal voor deze roman, zoals ik in een vorig blog geschreven heb, vond plaats rond mijn vierde levensjaar, in een telkens terugkerende droom.
Die droom heb ik gedurende mijn adolescentie twee keer gebruikt voor een kort verhaal. Die verhalen heb ik in ‘Eksteroog’ verwerkt.

Wanneer heb je aan ‘Eksteroog’ geschreven?

Het schrijven aan ‘Eksteroog’ valt grofweg in te delen in 4 fases.
Fase 1: 3 september 1998, 12 oktober 1999 - 21 maart 2000, 16 december 2002;
Fase 2: 18-22 april 2009, 17 juni-31 oktober 2009, 16 januari 2013;
Fase 3: 10-27 april 2015; 18 mei 2015; 28 oktober-1 november 2015;
Fase 4: 4 juni - 25 augustus en 11 oktober - 1 november 2016.

Kun je iets vertellen over de ontwikkelingsgeschiedenis van Eksteroog?

Tussen 1978 en 1980 tekende ik in een schriftje de eerste aanzetten op voor een roman, getiteld: ‘Versagen in eenzaamheid.’ Die roman heb ik ergens in de jaren tachtig afgewezen, maar het schriftje met de eerste aanzetten heb ik bewaard.

Fase 1
In mijn Schrijverslogboek schreef ik op 3 september 1998: ‘Fragmenten uit Versagen in Eenzaamheid met potlood aangestreept, bestemd voor diverse korte verhalen + begin gemaakt van ‘Manuscript, gevonden tussen twee identieke woningen.’
Op 28 november 1999 heb ik de titel veranderd in ‘Eksteroog’, omdat de oorspronkelijke te veel de afloop verraadt.
Op 16 december 2002 maakte ik een verslag van een MRI-onderzoek dat ik die dag had, en waarvan ik toen al wist dat ik deze informatie zou kunnen gebruiken voor ‘Eksteroog.’

Fase 2
Net als ‘De IJskoning’ was ‘Eksteroog’ aanvankelijk als verhaal opgenomen in de bundel ‘Gezichten in het struikgewas.’ Op 18 april 2009 koppelde ik ‘Eksteroog’ van ‘Gezichten’ los, om het te kunnen laten uitgroeien tot een novelle. Op die dag telde het 39 pagina’s.
Dat ik na zoveel jaar er weer mee aan de slag ging, terwijl ik midden in researchwerk voor mijn roman ‘De behouden stilte’ zat, heb ik te danken aan een collega op mijn werk, een vrouw die zeer geĂŻnteresseerd was geraakt in ‘Eksteroog’ nadat ik haar erover had verteld.
Op 31 oktober 2009 was de tekst zo ver uitgebreid, dat je kon spreken van een kleine roman: 136 pagina’s.
Op 16 januari 2013 heb ik fragmenten over de bouw van een torenflat tussengevoegd.

Fase 3
Opnieuw bleef het manuscript enige tijd liggen. Projecten als ‘De IJskoning’ eisten al mijn schrijftijd op.
In oktober 2014 haalde ik een fragment uit ‘Eksteroog’ om het uit te werken tot een verhaal voor een Verhalenschrijfopdracht van Het SchrijverscafĂ©. (Voor informatie over Het SchrijverscafĂ©, zie voetnoot bij Schrijversjaarverslag 2016). Misschien was dit de aanleiding om verder te gaan met de roman?
Extra gemotiveerd raakte ik, nadat een collega-schrijver van het SchrijverscafĂ© mij in het najaar van 2015 vroeg om haar roman in wording door te nemen en van commentaar te voorzien. In ruil daarvoor zou zij hetzelfde doen met een van mijn manuscripten. Dat werd dus ‘Eksteroog.’
Toen ik het manuscript in november 2015 naar haar opstuurde, besloeg het 162 pagina’s.

Fase 4
Nadat ik het manuscript in februari 2016 met lovende woorden, suggesties en kanttekeningen terugontvangen had, ging ik er weer mee aan het werk. Dit deed ik in de tweede helft van 2016, omdat ik in de eerste helft van dat jaar druk bezig was met de laatste redactieslag van ‘De IJskoning.’ Ăśberhaupt is het verstandig om een manuscript waar je zo lang en zo dicht met de neus bovenop hebt gezeten, een flinke tijd te laten rusten.
Op aanraden van mijn collega-schrijver verbeterde of schrapte ik zinnen en fragmenten. Ook op haar aanraden gaf ik de nevenpersonages meer diepgang en een nog sterker eigen verhaal. 
Losliggende draadjes die ik onderweg tegenkwam, knoopte ik op eigen initiatief aaneen, en als ze er weinig toe deden schrapte ik ze. 
Ook op eigen initiatief verschoof ik vanwege de spanningsopbouw enkele hoofdstukken. 
Om de nogal sombere geschiedenis meer lucht te geven, voegde ik een paar hoofdstukken toe. Als basismateriaal heb ik hiervoor onder andere een aantal blogartikelen gebruikt. Bijvoorbeeld: ‘Waarom baby’s lachen als ze geboren worden’ en ‘Van mijn bed gelicht.’
Op 1 november 2016 lag er voor mijn collega-schrijver een manuscript van 201 pagina’s klaar.

Fase 5?
Inmiddels heb ik ‘Eksteroog’ van haar mogen terugontvangen. Er vallen nog steeds een paar dingen te verbeteren voordat deze roman naar een uitgever kan.



N.B.: ‘Eksteroogs diagnose’ heet tegenwoordig ‘De geschonken tijd’


donderdag 11 februari 2016

Boekenweekschrijfwedstrijd 2016

Te elfder ure
Op de valreep heb ik een aantal fragmenten bewerkt voor de boekenweekschrijfwedstrijd 2016. Daar was ik al een paar weken terug door een collega-schrijver op gewezen. Ik had toen gedacht dat ik er geen tijd voor vrij zou kunnen maken, vanwege de urgentie van ander schrijfwerk en een paar verplichtingen.

Middernachtschepping
Ik had tijd over! Kreeg dus maandagavond plotseling de kriebels. Ik had nog tot woensdagavond 00:00 uur om iets in te leveren.
Van de maandag op de dinsdag heb ik tussen 23:30-03:30 zitten sleutelen aan drie fragmenten uit mijn roman in wording ‘De behouden stilte’ om er een lopend verhaal van te maken. Titel: ‘Als het maar geen Jood is.’ Dit in de loop van de dinsdagochtend ter beoordeling naar mijn collega-schrijver en tipgever opgestuurd.

Boink
Zij vond het een beetje een cliché-verhaal, omdat er al zo veel over dit onderwerp geschreven en gesproken is. Het meeste over de Jodenvervolging is bekend, tenminste voor onze generatie.

Alternatief
Zorg dat je altijd een alternatief voorhanden hebt. Dinsdagmiddag kwam ik met twee bewerkte fragmenten (totaal 446 woorden)  uit mijn verhaal ‘Prikkeldraad en roem.’ (totaal 1459 woorden).
Mijn  collega-schrijver vond het origineel en hartverscheurend. Zij stelde ook een betere titel voor, want door die drastische inkorting dekte de oorspronkelijke de inhoud niet meer.
‘Zilveren camera.’

Van ‘Zilveren camera’ naar…
Vond dit aanvankelijk een vondst. Na een nachtjes  slapen, heb ik er toch vanaf gezien. Een titel als ‘Zilveren camera’ neemt te veel interpretatievrijheid weg.
Woensdagmiddag, dus nog ruimschoots op tijd, heb ik mijn bijdrage aan de Boekenweekschrijfwedstrijd van 2016 ingezonden onder de titel ‘De vergelding.’
Lees en huiver.
(Waarderingssterretjes en recensies zullen op prijs worden gesteld.)

woensdag 2 december 2015

De National Novel Writing Month – De finale


In de zevende hemel
Het is mij gelukt! De eerste versie van het vierde deel van de roman ‘Gestolde liefde’ is af! 30 november om twaalf uur 's middags heb ik het manuscript digitaal ge-upload naar de website van de National Novel Writing Month. Even later kon ik er mijn certificaat van downloaden, samen met drie badges waarvan hierboven er eentje is afgebeeld. Ik voel mij gelauwerd.

Nogmaals: de kwantiteit
68067 Woorden gaf de teller aan. Dat zijn er weer heel wat meer dan tijdens de National Novel Writing Month van 2011, toen ik de eerste versie van het derde deel schreef. Maar dat is ook wel logisch, want ik wilde aan dit lijfelijk boek niet nog eens een National Novel Writing Month besteden.

Vatten we het nog even samen:
In 2009 schreef ik deel I:       59706 woorden;
In 2010 volgde deel II:           64144 woorden;
In 2011 deel III:                     60907 woorden.
De 68067 woorden van dit jaar erbij opgeteld, dan kom je uit op een lijvig werk van circa 860 bladzijden. Dat is iets om trots op te zijn.

En de tijd? En de kwaliteit?
‘Ja, maar,’ fluistert er iemand in mijn oor, ‘wanneer begin je nou eens met het herschrijven van al dat materiaal? Heb je daar eigenlijk wel tijd voor? Wat een klus lijkt me dat! Let op mijn woorden: wanneer je net lekker op gang gekomen bent, loopt het zeker al weer tegen november. En dan wil je natuurlijk opnieuw meedoen met de National Novel Writing Month. Wat schiet je er mee op? Je houdt alleen maar  tientallen Word documenten vol bagger over.’

Chatarsis en terug naar de aarde
De hele maand heeft hij zich op mijn wens koest gehouden, die duivel. Wat mij betreft gaat hij nog even door met zeuren. Ik luister toch lekker niet naar hem.
Ik ben blij dat alles nu zwart op wit staat. Ik heb er veel van geleerd, ben tot andere inzichten gekomen. Tijd om het eens een flinke periode te laten bezinken. Wanneer ik gezond van lijf en geest mag blijven, dan komt die definitieve versie van ‘Gestolde liefde’ er wel. Maar nu dus nog even niet. Nu is het weer tijd om terug te keren naar de roman waaraan ik tot die eerste november gewerkt heb: ‘De behouden stilte.’

donderdag 29 oktober 2015

‘Vuurtje doven’ – een nieuw fragment uit ‘De behouden stilte.’




Hoofdstuk 2c (1918, 12 juni)

De ploegbaas zegt dat de schaft er op zit en giet de kan met koffie uit over de smeulende turven. Ernaast begint hij een flinke kuil te graven, waarin hij de as en de turfresten zal werpen. De laatst opgegraven en meeste natte aarde er overheen en dan de bovenste laag flink aanstampen en klaar is Kees.

Sinds de grote veenbrand van vorig jaar zijn we stukken voorzichtiger geworden. Van Valthermond tot Emmerschans vlamde het. Ze zeggen dat de meeste van die branden door na-smeulende koffievuurtjes zijn ontstaan. Het was lange tijd droog geweest, de zon was fel en de wind deed wispelturig. Daardoor kon het vuur flink aanwakkeren. Daardoor werd het nog onberekenbaarder dan veenvuur van zichzelf al is. Dan weer rende het in de ene richting, dan weer in de andere. Ze zeggen dat het vooral uit de hand is gelopen, omdat er zo weinig volk op het veen was. Zoals gewoonlijk aan het begin van een campagne waren de meeste arbeiders in staking om tot een redelijke loonovereenkomst te kunnen komen. Binnen de kortste keren stonden hele gebieden in de fik. Gelukkig niet bij ons, maar het kwam wel tot aan Emmer Compascuum. De brandweer hier in de buurt kon het niet aan. Die van Den Haag moest er aan te pas komen. Die beschikte over motorspuiten en stoomspuiten. Die hebben we hier niet. Ook soldaten uit Assen werden ingezet. Acht spannende dagen. Sommigen zeggen, het had zeker nog veel langer geduurd wanneer het niet was gaan regenen. En de Hondsrug heeft ook veel tegengehouden.

Hoeveel turfhopen en nog af te graven veen er door de vlammen verloren zijn gegaan, zal mij een zorg wezen. Maar die honderd en acht huizen en zeventien doden...

Wat een vlammenzee moet het zijn geweest. De rook waaide tot hier over. Zelfs in het westen van het land schijnen ze er last van te hebben gehad. Sommigen hier beweren dat alleen daarom de Koningin langs is geweest. Uiteraard in Valthermond, het zwaarst getroffen gebied. Maar ze bezocht ook Nieuw Weerdinge en Emmer Compascuum. Omdat, naar sommigen beweerden, zij in haar paleis het vanwege die rook zo op de longen had gekregen. Maar als je de berichten in de kranten hebt gelezen, dan ga je daar toch wel anders over denken. Volgens de kranten wilde de Koningin alles van nabij zien, trok ze zich niets aan van de regels en de protocollen en waagde ze het zelfs in haar nette kleren om over een noodbruggetje van twee of drie planken te gaan om met getroffenen te kunnen spreken, om hun een hart onder de riem te steken. Van zo’n Koningin moeten we het toch hebben. Als ik later ooit in nood kom, dan zal ik geen moment twijfelen om haar een brief te schrijven.

De laatste tijd droom ik van onze Koningin. Dat zij mijn vader beveelt dat hij mij moet laten gaan, dat ik niet langer meer met ma en mijn zussen hoef turven te keren op het zetveld. Omdat zij van de meester op de Lagere School heeft gehoord dat ik zes jaren lang alleen maar hoge cijfers heb gehaald. Elven en twaalven. In mijn dromen mag ik naar de HBS, op kosten van de Koningin. Maar wat zijn dromen?

‘Dromen kunnen waarheid worden,’ beweert mijn broer. ‘Kijk maar eens naar hoe wij vroeger hebben geleefd. In een plaggenhutje.’

Daar weet ik niks van, daar was ik veel te jong voor om mij dat te kunnen herinneren. Maar mijn broer en ook mijn zussen hebben het allemaal wel meegekregen. Die zijn trots op het huisje waarin we met z’n zevenen nu al tien jaar zitten. In een huisje aan de wijk, tussen veertien precies dezelfde huisjes. Ja, en voor al die luxe mag je dan door blijven ploeteren in het veen tot je er dood bij neervalt. Niet voor niks noemen we hier de vers gestoken en tegen elkaar aan gestapelde turven grafzerken.

’s Avonds aan tafel vertelt pa dat ze de man van Stientje Witvoet hebben gevonden. In een van de kanalen dreef ie. Niet ver er vandaan lagen zijn jas en pet, met er naast een voor driekwart leeg gezopen jeneverfles.

Pa kijkt ons een voor een aan. ‘Snappen jullie nou waarom ik jullie al heel vroeg heb leren zwemmen? Vanwege al dat vele water hier? En jij jongen,’ zegt hij met zijn blik streng op mij gericht, ‘jij moet oppassen. De ploegbaas heeft gezien dat je flink de armen uit de mouwen kunt steken en dat je sterk bent. Jij gaat het werk van Stientjes man overnemen. Vanaf morgenvroeg ga je niet meer turven keren. Vanaf morgenvroeg doe je mee met het schepenen. Ik waarschuw je, want daar wordt regelmatig gezopen. O wee als je ’s avonds thuis komt en ik betrap je met de walm van jenever om je heen. Dan ben je nog niet jarig. Ik heb er in mijn leven te veel dronken in het water zien vallen en aan de kant moeten slepen. Ik wil dit niet met jou meemaken. Nee, jij moet gewoon doorgaan met flink arbeiden en verder niks. Misschien kun je dan over een jaartje ook met mij en je broer meedoen met turf steken. En wie weet, blijft er dan eindelijk ook eens wat geld over voor een eigen fiets.’