Posts tonen met het label verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhalen. Alle posts tonen

zondag 28 december 2025

Neussnuivers

Ze waren laat. Kort voor hun vertrek had hij een zware buik gekregen en plotseling naar de wc had gemoeten. Er was niks gekomen. Om het weer een beetje goed te maken, snelde hij een eindje voor papa uit. 
In de bocht van de Dorpstraat zag hij hem verschijnen. 
‘Hij komt er al aan!’ Hij stak zijn hand in de hoogte. ‘O, nee. Die moeten we niet hebben, die is Gereformeerd.’
Papa grinnikte om hem en toen zag ook hij zijn vergissing in.
 
Het was een lange rit, met in het begin twee keer overstappen. Daarna gingen ze over een weg langs een kanaal met hier en daar rijtjes arbeiderswoningen die zich een hoogst enkele keer uitbreidden tot een dorp. Behalve als er werd gestopt en weer verder gereden, maakte de bus een en het zelfde kalme ronkgeluid. Verveeld vroeg hij: ‘Waarom zitten er bijna geen bochten in de weg?’
‘Omdat het kanaal recht is,’ zei papa. ‘Lang geleden hebben ze hem aangelegd voor het vervoer van turf. Ze haalden hier massa’s veen uit de grond. Turf, dat is gedroogd veen. Al die dingen hebben ze jou toch wel onderhand op school geleerd?’

Dat de rit zo lang duurde, was aan een kant ook wel fijn. Hij was een beetje bang voor daarna. Om die angst weg te drukken, dacht hij terug aan de vissnoergitaar die papa voor hem had gebouwd. Hijzelf had in klankkast een spijkertje krom getikt en daaraan een koord gehaakt dat oorspronkelijk bedoeld was om er ondergordijnen mee in ramen op te hangen. Het andere uiteinde had hij achter de Erres radio laten verdwijnen. Onder de glazen asbak. Die was zwaar genoeg. De radio bovenop het dressoir, dat was zijn versterker.

Waren er geen arbeiderswoningen, dan had je links en rechts uitgestrekte bietenvelden, velden bedekt met aardappelloof of vol korenstoppels met bij de oprit opeengestapelde stropakken. Ook weilanden met koeien. Soms paarden. Je kon kijken tot aan de wolken die vlak boven de horizon hingen. Het enige echt interessante was eigenlijk die lange rij hoogspanningsmasten waartussen slap gespannen draden hingen.

De vissnoersnaren, die waren strak gespannen. Ze hadden elk een andere toonhoogte. Met een beetje fantasie – en dat had hij – speelde hij zo mee met The Rolling Stones en The Beatles. Die konden een heel bijzonder geluid uit hun gitaren halen. Het snerpende aan het begin van I Can’t Get No Satisfaction dat in elk refrein terugkeerde. En dan die nog nooit eerder gehoorde Nnnnouwahhh! waarmee I feel Fine begon.

Tegenover het treinstation van Assen dronken ze in een café een glaasje ranja. In zijn verbeelding ging hij door met gitaar spelen. Zijn fans gilden al net zo hard om hem als om The Beatles en The Rolling Stones. Voor zijn neus stond de standaard van mama’s stuk geraakte droogkap. Dat was zijn microfoonstandaard, de daaraan met plakband vastgemaakte koplamp van een fiets de microfoon. Welk liedje zou hij gaan zingen? I Can’t Get No, of toch I Feel fine?

Nadat hij een tweede gevulde koek had gekregen en opgegeten, zei papa dat het zo langzamerhand tijd werd.

Ze liepen een eindje over een straat, gingen een spoorwegovergang over, volgden weer een straat die evenwijdig aan het spoor lag. Hij voelde zijn hart kloppen en zijn buik werd weer zwaar.
Links doemde voorbij struiken een rechthoekig gebouw op. Het had een puntdak. In het midden, dwars op die puntdak, was er nog een puntdak, met daarachter een kleine, smalle torenspits. Net een kerk. 

Binnen moesten ze even zitten wachten op een bank en toen werden ze door een aardige mevrouw naar een ruimte gebracht, waar ze aan een tafel plaats namen. Het rook hier vreemd. Naar een scherp schoonmaakmiddel. Alles was hier vreemd. Er zaten mensen bijeen, maar er werd bijna niets gezegd. Het gerinkel van de lepeltjes in koffie- en theekopjes klonk daardoor extra hard. 

Vlak achter hem zat iemand heel diep adem te halen. Dat ging vast door een neus vol haartjes of snot. Het ging maar door. Echt een neussnuiver. Of snuifster. Sliep die persoon?
Hij wilde zich omdraaien, maar liet zijn aandacht al weer gaan naar iemand anders. Een man die wiegende bewegingen maakte en afwisselend zijn linkeroor aanraakte en een haarlok voor zijn ogen wegschoof. Ook die snoof diep. Als je goed luisterde, bleken er nog heel wat meer mensen die dat deden. De ruimte zat vol neussnuivers.

Een mevrouw een eindje links van hem begon te lachen. De mensen aan haar tafel bleven ernstig. Ze had vast een mop voor zichzelf bedacht.
Hij keek weer naar de wiegende man.
Let maar niet op hem, die is toch gek.’
Het was de neussnuiver achter hem die dat had gezegd. Hij droeg een wilde baard en hij knikte vriendelijk. Nadat de vrouw aan zijn tafel hem had gevraagd ‘En hoe is het nu met je?’ begon hij weer te neussnuiven.

‘Daar is mama!’
Een zuster bracht haar naar binnen. Hij wilde naar haar toe rennen, maar papa greep hem bij de arm. ‘Eerst zien hoe het met haar is.’ 
 Mama glimlachte. Toen ze was gaan zitten en de zuster was verdwenen, legde hij even zijn hoofd in haar schoot.

Mama bleef maar naar hem glimlachen. ‘Hoe gaat het op school?’
Dat vond hij een vreemde vraag. Was ze dan vergeten dat hij over mocht en dat zijn vakantie pas volgende week voorbij zou zijn?
Hij keek papa aan. Papa had hem verteld dat hij niets moest zeggen wat haar verdrietig kon maken. Mama wist niet meer waar ze mee moest beginnen, eerst de afwas, of toch maar stofzuigen. Daarom was ze hier.
Hij dacht aan de here God die alles zag en hoorde. Ook dat je loog.
Een klein leugentje, dat zou de here God hem toch wel willen vergeven? Vooral als het was om je mama niet verdrietig te maken?

‘Gaat wel,’ zei hij.
Hij wist meteen dat ze zijn leugentje doorzag. Omdat hij over zijn antwoord zo lang gedaan had. Dacht ze nu dat het met hem niet goed ging op school? Gelukkig maar dat hij haar niet had verteld dat Fred weer bij hem in de klas kwam, want dan had hij haar moeten uitleggen dat die op zijn beurt wel was blijven zitten en dat zou haar ook verdrietig kunnen maken. Maar dat hij in de klas weer een vriendje kreeg, dat zou ze fijn vinden, daar werd ze toch weer blij van?

Je ziet er goed uit,’ zei papa. 
Ja’, zei ze. ‘Wanneer mag ik weer naar huis.’
‘Dat kunnen we beter aan de artsen overlaten.’ 
‘Maar het huishouden.’ 
‘Maak je daar nou maar geen zorgen over, we krijgen binnenkort gezinshulp. Het belangrijkste is dat je weer beter wordt.’
De mevrouw een eindje links van hem begon weer te lachen.

Papa en mama hadden het nog over andere dingen. Ze zag er misschien wel goed uit, ze praatte toch anders. Langzamer en ook een beetje op dezelfde toon. De meeste tijd zeiden papa en mama niks.

Opeens stond de zuster achter haar. ‘Zo, mevrouw Buck, ik kom u weer ophalen.’ Tegen papa zei ze: ‘Neem rustig afscheid, ik wacht wel bij de bar.’ 
Toen ze weg was, vroeg papa of hij de volgende keer iets voor haar moest meenemen. ‘Kleren? Pyjama’s, kousen, ondergoed? Een geurtje, iets lekkers?’ 
Mama snifte. Ging ze nou ook neussnuiven? Er gleed een traan over haar wang. Papa was al opgestaan en zij bleef zitten. Ze keek om zich heen en zei: ‘Ik wil hier weg. Ik wil hier weg.’
Hij legde zijn hoofd terug in haar schoot.


(Hoofdstuk 14 van ‘Gestolde Passie’ – roman in uitvoering)



donderdag 18 oktober 2018

NaNoWriMo schrijfplannen



In november is het weer National Novel Writing Month. Dit jaar doe ik voor de zesde keer mee.

In 2008 schreef ik de oerversie van ‘De behouden stilte.’ Vorige jaar wijdde ik een hele roman aan het leven van mijn moeder.

Daartussenin – in 2009, 2010, 2011 en 2015 - schreef ik in vier delen de ‘Gestolde Liefde.’ (836 pagina’s).
Een aantal hoofdstukken zijn tijdens die sessies blijven liggen. Die was ik van plan dit jaar ter hand te nemen. Maar daarmee zal ik zeker niet toekomen aan de vereiste 50.000 woorden.

Ter aanvulling ga ik het titelverhaal voor de verhalenbundel ‘Gezichten in het struikgewas’ schrijven.

En als er daarna nog tijd over is, of het minimaal aantal vereiste woorden nog niet gehaald, een kleine roman over de scheefgetrokken verhouding tussen een werkgever en een werknemer, getiteld ‘Bureau Crommenlinck.’

Dit hele NaNoWriMo project heb ik ‘Allerhande’ gedoopt.

Zijn er nog meer schrijvers die de uitdaging van de National Novel Writing Month willen aangaan?

maandag 29 mei 2017

Weersomslag

De twee jongens kwamen niet ver in het opsporen van de draak. Achter in het korenveld, dat ze tot de Stille Zuidzee hadden omgedoopt, was boven een dunne goudgele streep de lucht paars gekleurd tot over heel de horizon. Pal boven hen hing een opborrelende stapelwolk: een vulkaan van een naburig eiland  was tot uitbarsting gekomen.

Een lichtflits, een knetterend geluid en een dof rommelen. Het begon te waaien. De ene jongen die een indianentooi op zijn hoofd droeg en naar de naam Harrie luisterde, zei: ‘Kom mee. Het is hier straks met die hoge golven niet meer veilig. Ik zal u mijn wigwam tonen.’
De andere jongen die Daniël heette, volgde hem naar de boerderij.

In de keuken stelde Harrie Daniël voor aan zijn moeder, een grote en stevige vrouw met levendige ogen en kastanjebruin haar waar fijne kartelige streepjes grijs doorheen groeiden. Ze vulde drie glazen met Rivella, Achter de ruiten betrok de lucht tot een paarse hel.
Harrie had zijn indianentooi naast zich neergelegd en een T-shirt aangetrokken. Hij dronk zijn glas in één teug leeg. De bliksem verlichtte twee keer zijn gezicht. Een scherpe knal en een lage rollende donder, de draak die over de boerderij heen trok.

donderdag 20 april 2017

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroog’ - deel III



door
Sophia Désedan 

Oer-manuscript

In deel I van deze serie zei je dat de oerknal voor de roman ‘Eksteroog’ een nachtmerrie uit je kleuterjaren is geweest en dat je die nachtmerrie in je puberteit twee keer hebt verwerkt in een kort verhaal.
Hoe zag de eerste versie van dat korte verhaal er uit?



Dat ik het verhaal hier niet in zijn geheel plaats, komt omdat ik mij er een beetje voor schaam. Het is nogal omslachtig en duidelijk het product van een beginnende schrijver.

En de tweede versie?
Die liet ik een jaartje later in het schoolkrantje opnemen. Helaas kan ik dat behoorlijk luxueus uitgegeven krantje niet meer terugvinden in mijn archief, maar het typoscript nog wel. De doorhalingen zijn overigens, net zo als bij versie 1, van latere datum.





En hoe staat dit fragment momenteel in ‘Eksteroog’ verwoord?


11.
Witte mannen met rode zakdoeken


De wekkerradio gaat en smelt tot één grote brei ineen. Ik sta op en voel mijn voeten een eind in de houten vloer wegzakken, alsof ze door pudding gaan. Het kost me de grootste moeite om de slaapkamerdeur te bereiken. Zodra ik met een vingertop de deurklink heb weten aan te raken, valt de deur uit zijn scharnieren en stort hij zich bovenop mij. Ik zak door de vloer.
Sterren fonkelen rondom. Een vleermuis met felle ogen en bebloede tanden scheert langs mij heen, keert terug en nestelt zich in mijn haren. Hij begint mijn hele schedelinhoud weg te vreten. Een vrouw grijpt me bij de hand en fluistert: ‘Vlug. Kom mee.’
Steeds harder rukt zij aan mijn hand, ik schreeuw het uit van de pijn. Langzaam scheurt mijn pols open - en de vrouw valt weg, het heelal in, met mijn hand in de hare.


Is de hele roman zo?
Natuurlijk niet. Het hierboven opgenomen fragment is immers slechts een droom? Daarom zal ik je de volgende keer het begin van de roman laten zien.




N.B.: ‘Eksteroogs diagnose’ heet tegenwoordig ‘De geschonken tijd’

zondag 22 januari 2017

Schrijversjaarverslag 2016

                                                   
                                 'Wat heb ik allemaal geschreven in 2016?'

Het kan nog net. In januari een terugblik geven van mijn schrijfactiviteiten in het afgelopen jaar. Daarvoor heb ik mijn Schrijverslogboek als bronmateriaal gebruikt. In een lopend verhaal samengevat, komen mijn schrijfactiviteiten hier op neer.

Kleine projecten I
In november 2015 had ik meegedaan aan National NovelWriting Month om de eerste versie van deel vier van mijn roman ‘Gestolde Liefde’ te kunnen schrijven. Als warming up voegde ik daar begin januari 2016 notitienummers van nog te verwerken materiaal aan toe.

In januari, mei en juni reviseerde ik een verhaal dat ik december 2015 geschreven had voor het Schrijverscafé*: ‘Patti Smith en de knuffelbeesten.’ Een aantal lezers van het Schrijverscafé vond dat er te veel dramatiek in zat. Daarop besloot ik het fragment over het overlijden van een kat af te koppelen en daar een apart verhaal van te maken, verteld door de puberende knaap die in ‘Patti Smith en de knuffelbeesten’ de antagonist is.

Grote projecten
Tussen 11 januari en 25 mei en tussen 1 en 10 oktober verwerkte ik in mijn roman ‘De IJskoning’ opmerkingen en tips van een meelezer/collega schrijver. Ik ken haar sinds 2012, dankzij het Schrijverscafé. Zij heeft inmiddels twee romans gepubliceerd en alleen daarom al acht ik haar oordeel over mijn werk van grote waarde.
Haar opmerkingen en tips waren zó inspirerend, dat ik nog eens met een kritisch oog door ‘De IJskoning’ heen ging en allerlei wijzigingen aanbracht. Daarbij kwam ik er achter dat ik nogal vaak het woord ‘niet’ gebruikte. Tussen 8 november en 27 december heb ik waar mogelijk alternatieven voor het woord ‘niet’ in het manuscript opgenomen.

Naar aanleiding van opmerkingen van een andere meelezer/collega schrijver - ook dankzij het Schrijverscafé leren kennen, zij heeft een eerste roman gepubliceerd -  verbeterde ik tussen 4 juni en 25 augustus en tussen 11 oktober en 1 november mijn roman ‘Eksteroog.’ Ook voegde ik er in deze maanden zo’n dertig bladzijden aan toe.

Kleine projecten II
In ruil voor het lezen en beoordelen van ‘Eksteroog’, las en beoordeelde ik van mijn meelezer het manuscript van haar tweede roman. Dit deed ik tussen 12 augustus en 4 oktober.

Zowel in De IJskoning’ als in ‘Eksteroog’ was ik op ‘nieten’ jacht gegaan. Omdat alternatieven voor het woord ‘niet’ zoeken en plaatsen op een gegeven moment je concentratievermogen aantast, bovendien nogal saai wordt, heb ik tussendoor interessantere dingen ter hand genomen.
Zo heb ik twee wat oudere verhalen toegeschreven naar een Schrijverscafé-schrijfopdracht en heb ik met drie verhalenwedstrijden meegedaan. Een van de drie ingezonden verhalen is opgenomen in een bundelTussen 27 november en 2 december en tussen 12 en 22 december voerde ik een spellingscontrole uit over de vier delen van ‘Gestolde Liefde.’

Leven en schrijven
En heb ik in 2016 ook nog geleefd en iets beleefd? Dat zullen ongetwijfeld sommige lezers zich afvragen. Indien niet alleen voor mijzelf interessant en als de Muze het toestaat, vinden jullie een antwoord op die vraag te zijner tijd terug in mijn verhalen en romans. Maar daarvoor moeten ze dus wel eerst zijn gepubliceerd. Misschien zou ik ondertussen ergens al iets kunnen gaan voordragen uit eigen werk?

*) Het Schrijverscafé is een door Daretoo in het leven geroepen LinkedIn groep, waarin schrijvers ervaringen kunnen uitwisselen. We geven elkaar tips, helpen bij de oplossing van een bepaald schrijfprobleem. Binnen het Schrijverscafé bestaat ook de mogelijkheid om elkaar schrijfopdrachten te geven. Iedereen kan daaraan meedoen, alle deelnemers kunnen een schrijfopdracht geven. De inzendingen kunnen door alle deelnemers worden beoordeeld. 

donderdag 22 december 2016

Hij is dol op muziek – een kerstverhaal


Ik beweeg mij niet, maar de tranen prikken mij in de ogen. Thuis heeft mama beweerd dat het vast een hele opgaaf voor mij zal zijn: zo lang blijven stilzitten, en toen heeft papa gezegd: ‘Geef hem toch die kans. Hij is dol op muziek.’

Ik ben muisstil, maar mijn keel doet pijn. We zitten in het midden van de vierde rij. Ik heb eerbiedig gekeken naar het grote koor in de blauwe jurken dat op het podium plaatsnam. Ik heb roerloos en zonder een vraag te stellen het stemmen van het orkest gevolgd. En toen waren er allemaal klappende mensen om mij heen. Wat een geruis, het leek wel een waterval. Papa en mama deden ook mee en toen ik ook. Op het podium verschenen de dirigent en de solozangers en -zangeressen.

Het orkest was beginnen te spelen, het koor viel in.
Jauchzet! Frohlocket! Auf, preiset die Tage. Zoiets overweldigends had ik nog nooit gehoord. Dit was wel wat anders dan de koptelefoon van mijn papa. Mijn papa, die mij vanmorgen had uitgelegd wat recitatieven en aria’s zijn. Ik vond ze niet zo mooi. Maar nu het koor weer is gaan zingen - nu het zingt Wie soll ich dich empfangen - zijn er tranen in mijn ogen gaan prikken.

Ik kan er niets aan doen, ik houd wel van Bach maar het is de gedragen melodie waardoor ik huilen moet. En nu komt er ook nog een geluid uit mijn keel. Door mijn natte wimpers heen zie ik mama’s kwade blik naar mijn papa. Mama aait mij over mijn wang en legt mijn hoofd in haar schoot en ik blijf maar doorgaan met huilen, doe mijn best geen geluid te maken wanneer de muziek zachter klinkt. Mijn buik schokt en het blaadje in mijn moeders handen trilt. Programma Kerstconcert 1978.

In de pauze staan we opeens buiten. Mama scheldt op papa. Vlakbij zijn fakkels en verbaasde blikken van mensen. Dat zijn mensen van Het Leger des Heils, heeft papa mij geleerd. Het koper van de blaasinstrumenten schittert.

Papa maakt een driftig gebaar in de lucht en loopt van ons weg. Nou krijgen we vast geen kerstboom meer. 

Mama pakt me bij de arm. Alleen wandelen wij over de straattegels. Achter mijn rug hoor ik het Legers des Heils spelen. Ik buig mijn hoofd. Voorbij mama’s mantel verschijnt om beurten de punt van haar schoenen. Ze loopt snel, ik kan haar amper bijhouden. Als we stilstaan voor een zebrapad, kijk ik naar haar omhoog. ‘Waar gaan we naartoe?’
‘Naar de bushalte.’

Het is plotseling heel erg koud om mij heen en ik steek mijn ene hand in mijn jaszak en mijn andere in mama’s zachte bontmantel. Misschien gaat ze dan ook langzamer lopen. Maar eerst moeten we nog wachten tot het stoplicht op groen springt.

Ik kijk achterom, naar het Musis Sacrum. En weer omhoog naar mama’s ernstige gezicht. En naar de bevroren sterrenhemel, ver boven haar. Zo groot en oneindig diep. Maar niets kon toch oneindig zijn? Wat zat er achter het einde? En wat voor het begin? Mijn leven en dat van al die andere mensen hier op aarde was slechts een knipoog in de eeuwigheid. Het is niet eerlijk dat er in zo’n kleine knipoog nog zo veel gemeenheid kon zitten.

‘Mama?’
‘Ja, schat?’
‘Als ik er niet was geweest. Was er dan een ander baby’tje uit jouw buik gekomen?’ Ze gaf geen antwoord. ‘En had je die dan ook Patrick genoemd?’
‘Kind, zeg toch niet van zulke dingen. Papa en mama houden heel veel van jou.’
Maar ze houden niet van elkaar.


‘Hij is dol op muziek’ is een summiere bewerking van Hoofdstuk 67 uit mijn roman ‘De IJskoning.’

vrijdag 18 maart 2016

Waanzin en lef

Een terzijde vooraf
Het was begin juli 1995. Mijn moeder van drieëntachtig zou nog een dik jaar in leven blijven. Maar dit terzijde. Waar het mij om gaat, is dit:

Wat ik had willen vertellen
Ik wilde een goede vriend vertellen dat ik in de trein tegenover een vrouw was komen zitten, op wie ik tot over mijn oren verliefd was geraakt. Ik wilde hem vertellen dat ze telkens wanneer ik haar aankeek, weer een stukje mooier was geworden. Dat ze een zachtgele jurk droeg en dat zachtgeel mijn grondkleur is. Dat ik dol ben op melkblanke, ontblote bovenarmen waar vaag helderblauwe adertjes doorheen schemeren - en die had ze. Ze had een grote neus. En een dik bos krullend haar dat net onder haar oren ophield. Volle, rode lippen die elkaar even loslieten telkens wanneer ze mij aankeek. En toen de trein zijn eindestemming naderde en zij en ik van onze plaatsen waren opgestaan, bleek ze mijn lengte te hebben. Ik houd van lange vrouwen, ze weten waar ze op staan. O, ik moest haar aanspreken. Is het niet nu, dan toch zeker straks op het perron.

Wat er van terecht kwam
Dit alles had ik die goede vriend willen vertellen, en nog veel meer. Ik kwam niet ver, meteen reageerde hij: ‘Verliefd, verliefd. Het is allemaal zo betrekkelijk. Je kunt maar beter niet verliefd worden. Bovendien kan verliefdheid je waanzinnig maken.’

Wat als?
Waanzinnig was ik nog niet. Wel liep ik met kloppend hart achter haar aan de trein uit. Die ronde schouders. Wat kon ik zo meteen als beste doen? Haar aan klampen en mijn hart tegenover haar uitstorten? Haar vertellen dat haar jurk paste bij mijn woonkamer, omdat die ook zachtgeel is geverfd? Dat haar lippen pasten bij mijn schemerlamp en haar haren bij mijn meubels, haar bovenarmen bij mijn onder gordijnen, en dat ook zij – als ze eenmaal haar neus in mijn kast met boeken en cd’s had gestoken – tot de conclusie zou komen dat het lot ons had samengebracht, enkel om samen verder te kunnen gaan?

Wat je hoofd bedenkt om je leven zonder schaamte voort te kunnen zetten
Ik heb die vrouw gewoon haar volgende trein laten nemen. Of haar doodleuk de stad in laten gaan. Ter wille van mijn gemoedsrust, ze was nergens meer te bekennen.
Weg uit mijn leven. Voor eeuwig.
Teleurgesteld begaf ik mijn naar het perron, waar de trein klaar stond die mij naar mijn moeder zou brengen. Moeders kun je niet laten wachten, dacht ik nog. Als troost, dacht ik dit. Om mijn gebrek aan waanzin en lef nog enigszins goed te kunnen praten.

woensdag 24 februari 2016

Ingelijste schrijvers II

Leren van niet meer levende schrijvers
Wie goed wil leren schrijven, heeft leermeesters nodig. Je kunt daarvoor het beste auteurs kiezen die niet meer in leven zijn, maar nog steeds worden gelezen.
In december 2013 plaatste ik op deze site zo’n lijst van overleden schrijvers. Op de een of andere manier hebben die schrijvers mij verder geholpen en helpen ze mij nog steeds verder in mijn zoektocht naar een eigen thematiek en stijl. Die schrijvers koos ik op hun gehele oeuvre.

Leren van de nog levende schrijvers
Vandaag is het de beurt aan de nog levende schrijvers. Omdat hun oeuvre nog in aanbouw is, voeg ik het boek toe dat voor mij de doorslag gegeven heeft om alles van hen te willen lezen.
Van links naar rechts:
Michel Faber, vanwege ‘Honderdnegenennegentigtreden’;
Manon Uphoff, vanwege ‘Alle Verhalen’;
Philippe Claudel, vanwege ‘Grijze zielen’;
Dimitri Verhulst, vanwege ‘De helaasheid der dingen’;
Thomas Rosenboom, vanwege ‘Spitzen’; 
Annelies Verbeke, vanwege ‘Slaap!’; 
J.M. Coetzee, vanwege ‘Langzame man’; 
Kristien Hemmerechts, vanwege ‘Lang geleden’; 
Hans Münstermann, vanwege ‘De bekoring’; 
Jeanette Winterson, vanwege ‘Op het lichaam geschreven’; 
Bernhard Schlink, vanwege ‘De Voorlezer'.

Veel leesplezier toegewenst.

O ja, en wie zijn jullie leermeesters, wie lezen jullie graag?

donderdag 18 februari 2016

De vijftig beste NPO Boekenweek Schrijfwedstrijdverhalen

Voorselectie
Op 10 februari middernacht kon het allerlaatste verhaal voor de NPO Boekenweek Schrijfwedstrijd worden ingezonden. In totaal zijn er de afgelopen weken ruim 1300 verhalen door de redactie ontvangen.
Deze redactie, bestaande uit twintig mannen en vrouwen, toog aan het werk. Zij maakte een voorselectie van de vijftig beste verhalen, die vervolgens zouden worden voorgelegd aan de jury.
De redactie was er na zes dagen al uit.
Mijn verhaal ‘De vergelding’ zit niet tussen de vijftig beste.

Waardering oogsten
Dat is een teleurstelling. Ook omdat mijn verhaal in een eerdere en langere versie door meerdere personen grote waardering heeft geoogst. Ook omdat er drie aardige commentaren onder mijn NPO Boekenweek Schrijfwedstrijdverhaal waren geplaatst. Ook omdat mijn verhaal door deze lezers vijf waarderingssterren kreeg. En vooral ook omdat iemand opmerkte dat er verhalen in de voorselectie staan die echt minder zijn dan die van mij.

Is alles wel gelezen?
Diezelfde persoon merkte ook op dat een redactie echt niet zo snel goed kan kijken. Je bent dan geneigd om te denken: zou die redactie dan van elk verhaal alleen de eerste regel hebben gelezen?
Maar twintig personen op 1300 verhalen, is vijfenzestig verhalen per persoon. En dat is gemiddeld tien verhalen per persoon per dag.
Dus weg met die gedachte dat de redactie onmogelijk alles goed gelezen kan hebben.

Wat overblijft
Teleurstelling. Ook dat hoort bij het schrijverschap. Leren omgaan met teleurstellingen. Teleurstellingen kun je maar beter zo snel mogelijk accepteren. Zodat je monter kunt verder gaan met datgene waarvoor je hier op aarde gekomen bent: schrijven. 

donderdag 11 februari 2016

Boekenweekschrijfwedstrijd 2016

Te elfder ure
Op de valreep heb ik een aantal fragmenten bewerkt voor de boekenweekschrijfwedstrijd 2016. Daar was ik al een paar weken terug door een collega-schrijver op gewezen. Ik had toen gedacht dat ik er geen tijd voor vrij zou kunnen maken, vanwege de urgentie van ander schrijfwerk en een paar verplichtingen.

Middernachtschepping
Ik had tijd over! Kreeg dus maandagavond plotseling de kriebels. Ik had nog tot woensdagavond 00:00 uur om iets in te leveren.
Van de maandag op de dinsdag heb ik tussen 23:30-03:30 zitten sleutelen aan drie fragmenten uit mijn roman in wording ‘De behouden stilte’ om er een lopend verhaal van te maken. Titel: ‘Als het maar geen Jood is.’ Dit in de loop van de dinsdagochtend ter beoordeling naar mijn collega-schrijver en tipgever opgestuurd.

Boink
Zij vond het een beetje een cliché-verhaal, omdat er al zo veel over dit onderwerp geschreven en gesproken is. Het meeste over de Jodenvervolging is bekend, tenminste voor onze generatie.

Alternatief
Zorg dat je altijd een alternatief voorhanden hebt. Dinsdagmiddag kwam ik met twee bewerkte fragmenten (totaal 446 woorden)  uit mijn verhaal ‘Prikkeldraad en roem.’ (totaal 1459 woorden).
Mijn  collega-schrijver vond het origineel en hartverscheurend. Zij stelde ook een betere titel voor, want door die drastische inkorting dekte de oorspronkelijke de inhoud niet meer.
‘Zilveren camera.’

Van ‘Zilveren camera’ naar…
Vond dit aanvankelijk een vondst. Na een nachtjes  slapen, heb ik er toch vanaf gezien. Een titel als ‘Zilveren camera’ neemt te veel interpretatievrijheid weg.
Woensdagmiddag, dus nog ruimschoots op tijd, heb ik mijn bijdrage aan de Boekenweekschrijfwedstrijd van 2016 ingezonden onder de titel ‘De vergelding.’
Lees en huiver.
(Waarderingssterretjes en recensies zullen op prijs worden gesteld.)

woensdag 6 januari 2016

Talent

Voor wie schrijver wil worden
Eerste vereiste is natuurlijk de aanwezigheid van talent. Met alleen het gevoel getalenteerd te zijn, kun je een heel eind komen. Maar vroeg of laat ga je op je smoel.

‘Ik word een groot schrijver!’
Op mijn tweeëntwintigste begon ik aan mijn eerste roman. Daarvóór had ik slechts een handjevol verhalen geschreven, variërend van twee tot veertig bladzijden. Terwijl ik die roman in een jaar tijd in elkaar flanste, dacht ik regelmatig: Ik word een groot schrijver!
In diezelfde tijd kreeg ik steeds maar weer dezelfde droom. In mijn huis trof ik een lijk zonder hoofd aan. Wat had die droom te betekenen? Voor mij werd het duidelijk dat ik mijn hoofd aan het kwijt raken was. Wat verbeeldde ik mij wel! Ik stond nog maar aan het begin van mijn schrijverschap.
Het spreekt vanzelf dat de roman mislukte, en niet alleen door eigenwaan.

Het viool gekras van Janine Jansen
Maar stel dat je dus wel getalenteerd bent. Ook daarmee kun je flink op je smoel gaan. Talent moet je namelijk ontwikkelen. Je dient je een tig aantal vaardigheden eigen te maken. Niemand zit te wachten op een vierjarige Janine Jansen die voor de allereerste keer de strijkstok op een viool legt. Want alleen mensen die er voor hebben gestudeerd, kunnen tussen al dat gekras door haar talent herkennen.

Een eigen stem
Schrijfcursussen waren er in die tijd nog amper. Ik voelde daar ook niet zo veel voor. Volgde je zo’n cursus van bijvoorbeeld het LOI, dan raakte je je eigen stem kwijt. Met zo’n cursus leerde je schrijven hoe de massa het hebben wilde.
In die tijd besefte ik nog niet dat ik nog helemaal geen eigen stem had. En ook nu nog vraag ik mij wel eens af - na zovele jaren van leren schrijven, schaven en slijpen en herschrijven – of ik wel een eigen stem heb. Gelukkig weet ik die vraag de meeste tijd op de achtergrond te houden. Anders kom je nooit meer aan schrijven toe.

Tekortkomingen en zaadjes van hoop
Schrijfcursussen waren dus niks voor mij. Ik zocht advies en stimulans bij mensen die Nederlands hadden gestudeerd. De eerste was een vrouw die mij geleidelijk aan en uiterst voorzichtig wat tools aanreikte. De tweede was een man die mij wees op allerlei onvergeeflijke tekortkomingen en kleine zaadjes van hoop. Ik had nog een lange weg te gaan, was zijn conclusie. Ik moest vooral veel lezen - schrijvers van nu, maar bij voorkeur schrijvers van toen. Wie zijn klassieken niet kent, kan moeilijk een groot schrijver worden, was zijn stelling.

‘Schaam u de put in.’
Ik ben ze gaan (her)lezen, de klassiekers: Multatuli, Elsschot, Machado de Assis, Kafka, Hesse, Dostojewski, flarden Dante en nog veel meer. En ik schaamde mij de put in. Desondanks pakte ik mijn roman weer op. Na een paar jaar van opnieuw mislukte pogingen, besloot ik terug te keren naar verhalen van twee tot veertig bladzijden. Laat ik die eerst maar eens leren beheersen.

Wachten op de bloem uit de knop
In die tijd dreigde ik opnieuw mijn hoofd kwijt te raken. Nu uit wanhoop. Die wanhoop kwam voort uit mijn ongeduld.
In mijn verhaal ‘Parnassusgeklauter’ - dat uit die tijd stamt – schreef ik daarover: ‘Telkens wanneer ik ontdekte wat er aan schortte, wilde ik in frenetieke werklust onmiddellijk de stijl verbeteren. Dat bleek onmogelijk, waardoor ik vanwege ongeduld kwaad werd of vanwege faalangst in neerslachtigheid wegzonk. (…). Pas veel later ben ik gaan inzien dat je om honing te kunnen maken, eerst moet wachten tot de bloem uit haar knop gekomen is.’

Wat voor talent nodig is
Wat dus naast talent nodig is… Nee, laat ik het zo stellen: (zelf)scholing en geduld zijn onderdelen van het talent dat je nodig hebt om te komen tot een groot – nee, een bescheiden schrijverschap. Daarna zien we wel verder.

Tot dit talent behoort ook de drijfkracht en de moed. Nooit de moed opgeven. En doorgaan. Doorgaan met schrijven. Want vooral door te schrijven kom je verder op je pad. 

woensdag 30 september 2015

Hij is er! De Verhalenbundel ‘Waar ik wakker van lig.’



Papa wil niet meer gaan kijken. Mama wel. Met haar vlakke hand klopt ze over de dekens, rond en langs mijn voeten en benen, langs mijn lijf en schouders en op het kussen, links en rechts en boven mijn hoofd. Als ze haar arm weghaalt, zegt ze: ‘Nou, zie je wel dat er geen Grote Boze Wolf in je bedje ligt?’


Zo begint mijn verhaal ‘Geen Grote Boze Wolf’ dat op de tweede plaats eindigde van de door Schrijverspunt uitgeschreven schrijfwedstrijd ‘Waar ik wakker van lig.’
En nu is de verhalenbundel er met daarin de 33 beste inzendingen. Nieuwsgierig naar de rest van mijn verhaal? Nieuwsgierig naar alle 33 beste inzendingen? Koop dan en lees ‘Waar ik wakker van lig.’ Vanaf 1 oktober verkrijgbaar via de boekhandel en Bol.com.


donderdag 12 maart 2015

En de winnaar is…

Hier dan de uitslag van de door Literair Werk in samenwerking met het tijdschrift Zin uitgeschreven verhalenwedstrijd ‘Zin en Waanzin.’ In een eerder blog had ik geschreven dat mijn inzending 'In goede handen' samen met vijftien andere verhalen op de shortlist was terechtgekomen, in een bundel zou worden opgenomen en kans maakte op de hoofdprijs: een publicatie in het tijdschrift Zin.

Afgelopen vrijdag is deze bundel in de Java Bookshop aan de Javastraat te Amsterdam gepresenteerd. Door juryvoorzitter Renate Dorrestein (niet aanwezig) is uit de bundel ‘Vrolijk knallen de bomvesten’ van Rob Verschuren als aller beste verhaal verkozen.
En geheel terecht. Van harte gefeliciteerd, Rob!

Rob is geen onbekende voor mij. Hij zit in het groepje auteurs van het Schrijverscafé op LinkedIn waarmee ik regelmatig correspondeer en ter beoordeling verhalen uitwissel. Rob staat ook in de verhalenbundel ‘Lezen en Laven’, o.a. samen met drie andere leden van het schrijverscafé: Femmy Fijten, Yolande Belgazi-Timman, en ondergetekende (onder eigen naam met het verhaal ‘Zoek’).

Rob zal voor sommige literatuurliefhebbers al voor het winnen van de ‘Zin en Waanzin’-hoofdprijs geen volstrekt onbekende meer zijn geweest. In 2014 zat hij tussen de vijf beste van de 1.846 ingezonden verhalen voor de Boekweekschrijfwedstrijd 2014: Schrijf jezelf naar Marokko. Hij heeft ook al het een en ander in literaire tijdschriften gepubliceerd. Was er geen crisis in uitgeverswereld, dan zou hij zeker al een compleet boek op zijn naam hebben staan.

Het is een eer om opnieuw met Rob Verschuren in een bundel te staan, vooral ook omdat er een professionele jury over de verhalen heeft geoordeeld. Het is een bevestiging dat ik met een verhaal als ‘In Goede handen’ op het juiste schrijfspoor zit. Het is ook een extra stimulans om verder te gaan met ‘De Behouden Stilte.’ Twee fragmenten van die roman, daaruit is ‘In Goede Handen’ geboren.

Eric Steiner.

woensdag 24 december 2014

Joyce en de man vol herinneringen - een kerstverhaal

Warm
Wanneer Leontien haar jack met de bontkraag heeft opgehangen en mijn kamer binnenstapt, is niet het eerste wat ze zegt: ‘Je moet nodig eens opruimen,’ maar: ‘Geen kerstboom?’ En meteen daarop: ‘Pfff, wat heb je het hier warm.’
Ik sluit de deur en zet de thermostaat twee graden lager.
Op de bank stroopt ze haar trui over haar hoofd, vouwt die netjes op en legt hem behoedzaam op de armleuning. Daarna haalt ze uit haar handtasje een kam tevoorschijn. Ze doet haar haren, haar zwartglanzende haren. – En dat allemaal met een traagheid die ik niet van haar gewend ben. Tijdens het bijpraten is ze ook een stuk minder lacherig dan anders. Terwijl ze zich eigenlijk veel vrijer zou moeten voelen, nu Martha weg is.

Kerstbomen optuigen
We hadden misschien nog wel zeventig keer in december gezellig kerstbomen kunnen blijven optuigen, Martha en ik - vroeg of laat zou ze toch hebben willen weten: ‘Wat heb jij met Leontien?’ En zo is het geschied, bijna zeven maanden geleden al weer. ‘Je hoeft niet zo aapachtig te kijken, hoor,’ was ze verder gegaan. ‘Ik weet dat Leontien hier geweest is. Haar parfum is overal te ruiken. In de gang, in de keuken, en ook op het toilet. Ik word daar niet goed van, Reinier. Straks kom ik die rot geur ook nog tegen in onze slaapkamer.’
‘Schat,’ had ik met een amper te onderdrukken glimlach opgemerkt, ‘ik ken haar vanaf mijn twaalfde. Als ik iets met haar zou hebben gehad, dan was dat allang gebeurd. Ver voordat ik jou heb leren kennen.’
Ze keek me aan en leek koortsachtig te zoeken naar de waarheid in mijn ogen.
Geamuseerd wendde ik mijn hoofd van haar af. ‘Je bent jaloers.’
‘Ik heb liever niet dat ze hier nog komt als ik van huis ben.’
‘Heus, je overdrijft.’
Ze gleed met een vinger onder haar neusgaten langs.
‘Dus je vertrouwt mij niet meer?’ vroeg ik. ‘Mooi is dat!’
Het liep uit op een ruzie. Toen die was bijgelegd, hebben we in bed zowat de hele nacht lieve woordjes tegen elkaar liggen zeggen. Gevreeën? Ja, gevreeën hebben we ook. Tussen de liever woordjes door wilde ze telkens weer. De volgende ochtend meldde ze zich ziek. Juf Martha ziek. Hoera! De kinderen blij en wij ontbijt op bed.
Er gleden broodkruimels en hagelslagvlokken in de plooien van de lakens. Broodkruimels en hagelslagvlokken die Leontien een voor een bijeengesprokkeld zou hebben in de kom van haar hand. En dan rechtstreeks er mee naar de afvalemmer. Alleen al daarom zou ik nooit een relatie met haar willen hebben. Vreemd dat ze nog steeds niets heeft gezegd over de rommel hier.

‘Kom dan, meissie’
Alsof ze mijn gedachten kan lezen, begint ze in het rond te kijken. Ze haalt iets uit haar handtasje en het bloed trekt uit mijn wangen. Ze hurkt neer en kijkt onder de bank, onder de andere meubels, speurt de hele vloer af.
 ‘Joyce, waar ben je? Kom eens hier, ik heb iets voor je. Kom dan, meissie.’

De verlamming
Joyce. Joyce.  De herinnering drukt dik op mijn slapen. Vorige week: ik zakte terug tussen de kussens en het duurde een hele tijd voordat de pijn uit mijn ruggengraat verdwenen was. Duidelijk de angst die mij verlamde. Alleen de angst. Ik wilde naar Joyce, maar mijn lichaam werkte niet mee. Terwijl mijn hoofd zich nog volstouwde met hoop, wist mijn lichaam allang hoe ik haar zou aantreffen.
Uiteindelijk lukte het me na drie pogingen om uit bed te komen. Met mijn voeten op het laminaat begon ik me haastig in de kleren te hijsen. T-shirt achterste voren. Liet het overhemd over mijn stoel hangen en greep naar mijn trui.
Haalde het voer tevoorschijn en deed de achterdeur van het slot.
Het was nog schemerig. Overal rijp op het gras. Wanneer had ik haar voor het laatst opgezocht? Ik kon het me niet herinneren. Elke dag hier op het paadje geweest om mijn fiets uit de schuur te halen en er na gedane boodschappen weer in op te bergen. En geen moment gedacht aan Joyce.
Stro staat van binnenuit tegen het traliewerk opgehoopt. Met mijn vingers tussen de tralies schuif ik het omlaag. Nergens geritsel, nergens een glinsterend oog. Met een hand die onder stroom lijkt te staan, haal ik het haakje van het slot en open ik het deurtje. Op de bodem van de drink- en voederbak liggen een paar strohalmen. Overal in het hout van het hok ontdek ik krassen. Ze heeft het zelfs klaargespeeld om een gat in de bodem te krabben. Maar nog te klein om er doorheen te kunnen kruipen.
Ja, daar ligt ze. Achterin. Haar vacht is piekerig ruw. En dan: het oog. Een dof oog. Alsof er staar op ligt.

Kont in de lucht
‘Joyce! Joyce! Waar heb je je verstopt? Kom eens hier? Joyce?’
Ze is tot voor de tv gekropen en speurt met haar onderarmen plat op het laminaat en kont in de lucht nog steeds de hele kamer af.
‘Sorry, Leontien. Hou maar op met zoeken. Ze is hier niet meer. Ze is dood.’
Terug op de bank kwakt ze het zakje met snoepjes in haar handtasje. ‘Hoe dat zo.’
Ik vertel haar wat er is gebeurd. Haar gezicht wordt langer en langer, haar mond glijdt open.
‘Je hebt hem uitgehongerd.’
Ze ritst het handtasje met een ruk dicht en legt een pols tegen een van haar slapen. Buigt haar hoofd. Brede, platte lippen. Een snik.
Ik kom naast haar zitten en leg een hand op haar schouder.
‘Is er iets? Je hoeft toch niet alleen maar te huilen om een dood konijn?’
Ze ritst haar handtasje open. ‘Maar het was ook een beetje mijn konijn,’ piept ze en grijpt naar een zakje met tissues. ‘Ik heb Martha op het idee gebracht om jou een konijn te geven. Ze vertelde dat je zo dol was op dieren, vroeger als kind al.’

‘Misschien mag je dan’
‘Pappa, mag ik een hond?’
‘Nee, jongen. Als je broer en zus het huis uit zijn, misschien mag je dan een hond.’
Later had ik mijn ouders gevraagd, of ik dan een kat mocht. En toen ze dat ook niet goed vonden: een hamster. En nog weer later: een cavia. Een marmot dan? Een konijn? Zelfs geen konijn? Nee. Gaf allemaal veel te veel gedoe. Mijn ouders namen pas een hond, een marmot en een heel konijnennest nadat ik zelf, als laatste kind, het huis was uitgegaan.

Achter haar lijfje gestrekt
‘Toen je haar net kreeg,’ zegt Leontien, en ze snuit haar neus, ‘paste ze nog net in mijn hand. Ze besnuffelde mijn vingers. Ik weet nog precies hoe dat voelde. En later, toen ze wat groter was geworden – weet je nog, de dag dat jullie haar voor het eerst in de tuin lieten? Hoe ze elk plantje onderzocht en van alles wat eetbaar was iets weg knabbelde? En toen ze alle plantjes bij langs was geweest, begon ze de hele tuin door te huppelen, nam ze die als het ware in bezit. Wat moest ik daar om lachen. Die onverwachte, gekke sprongetjes van uitgelatenheid. Daarna ging ze voldaan in het zonnetje liggen. Op haar buik, met haar achterpootjes achter haar lijfje gestrekt. Het was een vrolijk konijn. En nou is ze dood.’
Weer die brede, platte lippen.
Ik sluit haar in mijn armen. Haar haren kriebelen over mijn neus en lippen.

Rillerig
Nadat ze de tranen met haar tissue heeft weggeveegd, zegt ze: ‘Zou je misschien een kopje thee voor me willen zetten? Ik heb een enorm droge keel.’
Als ik met de theepot en twee kopjes terugkeer, heeft ze haar trui weer aangetrokken en wrijft ze zich rillerig over de bovenarmen.
Ze drinkt wat van haar thee, zet het kopje op de salontafel en begint te wriemelen aan haar haarstrengen. Staart naar de vloer.
Dan knikte ze. ‘Het is ook Peter. Zijn opmerkingen, ik kan daar niet meer tegen. Als hij weer zo’n bui heeft en er valt geen zee met hem te bezeilen, dan zet ik wel eens heel hard Coldplay op. Waar hij dan weer niet tegen kan, wat weer aanleiding is voor nog een ruzie.’
‘Ruzie? Hebben jullie wel eens ruzie?’
‘Eigenlijk veel te vaak. Altijd wanneer ik met iets nieuws kom, dan zegt hij spottend: zou je dat nou wel doen? Dat kun je toch niet. Hij vindt dat ik gewoon mijn beroep moet blijven uitoefenen. Dat ik dus voor iets anders totaal niet geschikt ben. - Ik zou daar toch onderhand wel beter tegen opgewassen moeten zijn, tegen dat soort cynisme. Ik ken hem al zeven jaar!’
Ze buigt haar hoofd.
De stilte hangt om haar heen. Het begint het er steeds meer op te lijken dat haar gedachten haar meegenomen hebben op een verre reis.

‘Wil je het zien?’
Plotseling richt ze haar blik op mij. Ze trekt met een mondhoek. ‘Je hebt haar toch niet in een vuilniszak gedumpt, hè?
‘Joyce? Nee, nee. Ze ligt hier in de tuin begraven.’
Ze moet er doorheen. ‘Wil je het zien?’
Ze speurt over het tapijt. Alsof Joyce hier nog is. Dat moet ze, Joyce moet hier zijn en niet onder de grond. Ze was sinds Martha weg is mijn enige gezelschap. Af en toe mocht ze bij mij in de woonkamer over het tapijt komen rondhuppelen, ondanks de keuteltjes die ze er op achterliet. Harde en droge keuteltjes. Die vlekken niet. En zo wel? Kon me eigenlijk ook niet meer zo veel schelen.
Ik kijk Leontien aan.
‘Ja, dat is goed,’ zegt ze.      

De verste heester
Met een zaklamp schijn ik over het bevroren gras. Het kraakt onder onze schoenen. Ik leid haar naar de verste heester waaronder ik haar begraven heb, in een kistje dat ik zelf heb getimmerd. Gelukkig was het dooi. Anders had ik haar moeten afstaan aan de dierenarts, was ze doorgestuurd naar het dierencrematorium, zat ze nu bij mij thuis in een urn. Nu ligt ze hier in de aarde.
Ik heb er een steen overheen gelegd. De tekst die ik er met olieverf op hebt geschreven, zegt Leontien zacht.
Hier rust Joyce.’
Even glimlacht ze.

Dit moment
De kou begint tegen mijn benen op te kruipen. Leontien: in het duister om haar heen dwarrelt sneeuw en in mijn oren ruist de stilte. Het is goed zo, dit moment. Hoog boven ons twinkelen de sterren.
‘Eigenlijk kan hij er niets aan doen,’ hoor ik haar zeggen. ‘Dat hij zo is, Peter. Hij heeft het beste met je voor. Hij denkt nectar in je mond te leggen, maar het smaakt naar stront.’
We kijken elkaar lang in de ogen. Ze is mooi met die zwartglanzende haren over de bontkraag van haar jack.
Er lijken weer allerlei gedachten door haar hoofd te gaan.
‘Ik ben bij hem weg. Al een tijdje. - En jij zorgt niet goed voor jezelf, Reinier. Straks honger je jezelf ook nog uit.’ Ze steekt haar handen in de zakken van haar jack en staart een tijdje naar de sneeuw. Dan zegt ze: ‘Zal ik bij je blijven? Ik bedoel niet alleen voor Kerst, maar gewoon zien of het met ons tweetjes wel lukt? We hebben een enorme voorsprong, we kennen elkaar al zo lang. Nou?’
‘Ja, ja,’ brandt het op mijn lippen. Maar die woorden werkelijk uitspreken? Ik weet niet of ik daar achteraf wel zo gelukkig mee zal zijn. Maar voor Kerst zeg ik volmondig: ‘Ja, ik wil dat je blijft,’ en ze vliegt me in de armen.

Eric Steiner, 24 december 2014.