donderdag 2 februari 2017

Oudste droom als oerknal voor roman

Ik was ongeveer vier en ik herinner hem mij nog, omdat hij regelmatig terugkeerde en omdat hij een echte nachtmerrie was. Mijn vader bracht zelfs een zwakstroomlampje aan boven de deur van mijn slaapkamertje, opdat ik niet meer zo gauw in paniek zou raken als ik uit deze droom ontwaakte.

Hij is met zekerheid geïnspireerd op de door een tractor aangedreven dorsmachine, die elke augustusmaand achter ons huis zijn werk deed.



Ook was er de hele zomer door aan het kanaal twee kilometer verderop een waterpomp die begon te brommen vrijwel zodra ik in mijn bedje lag. Ik vond dat maar een eng geluid, vooral omdat het kwam van een rij bomen, waarvan er minstens één een mensengezicht had. Ik heb mijn vader gevraagd of hij die waterpomp kon afzetten, maar dat mocht hij niet.
In mijn herinnering zijn al deze zomers van mijn vroegste jeugd broeierig geweest.

Jarenlang heb ik gedacht dat de droom is voortgekomen uit het gegeven dat ik bij mijn geboorte met de verlostang ben gehaald.

Hij ging als volgt:
In een schuur staat een monsterachtige machine. Ik word door hem opgeslokt en in mootjes gehakt, of op een andere manier kapot gemaakt. Telkens ben ik weer heel en begint het proces van mijn vernietiging van voren af aan.

Jaren later zou ik deze droom gebruiken als inspiratiebron voor een belangrijk hoofdstuk in mijn roman ‘Eksteroog.’ Je zou mijn oudste droom kunnen beschouwen als oerknal voor deze roman.

zondag 22 januari 2017

Schrijversjaarverslag 2016

                                                   
                                 'Wat heb ik allemaal geschreven in 2016?'

Het kan nog net. In januari een terugblik geven van mijn schrijfactiviteiten in het afgelopen jaar. Daarvoor heb ik mijn Schrijverslogboek als bronmateriaal gebruikt. In een lopend verhaal samengevat, komen mijn schrijfactiviteiten hier op neer.

Kleine projecten I
In november 2015 had ik meegedaan aan National NovelWriting Month om de eerste versie van deel vier van mijn roman ‘Gestolde Liefde’ te kunnen schrijven. Als warming up voegde ik daar begin januari 2016 notitienummers van nog te verwerken materiaal aan toe.

In januari, mei en juni reviseerde ik een verhaal dat ik december 2015 geschreven had voor het Schrijverscafé*: ‘Patti Smith en de knuffelbeesten.’ Een aantal lezers van het Schrijverscafé vond dat er te veel dramatiek in zat. Daarop besloot ik het fragment over het overlijden van een kat af te koppelen en daar een apart verhaal van te maken, verteld door de puberende knaap die in ‘Patti Smith en de knuffelbeesten’ de antagonist is.

Grote projecten
Tussen 11 januari en 25 mei en tussen 1 en 10 oktober verwerkte ik in mijn roman ‘De IJskoning’ opmerkingen en tips van een meelezer/collega schrijver. Ik ken haar sinds 2012, dankzij het Schrijverscafé. Zij heeft inmiddels twee romans gepubliceerd en alleen daarom al acht ik haar oordeel over mijn werk van grote waarde.
Haar opmerkingen en tips waren zó inspirerend, dat ik nog eens met een kritisch oog door ‘De IJskoning’ heen ging en allerlei wijzigingen aanbracht. Daarbij kwam ik er achter dat ik nogal vaak het woord ‘niet’ gebruikte. Tussen 8 november en 27 december heb ik waar mogelijk alternatieven voor het woord ‘niet’ in het manuscript opgenomen.

Naar aanleiding van opmerkingen van een andere meelezer/collega schrijver - ook dankzij het Schrijverscafé leren kennen, zij heeft een eerste roman gepubliceerd -  verbeterde ik tussen 4 juni en 25 augustus en tussen 11 oktober en 1 november mijn roman ‘Eksteroog.’ Ook voegde ik er in deze maanden zo’n dertig bladzijden aan toe.

Kleine projecten II
In ruil voor het lezen en beoordelen van ‘Eksteroog’, las en beoordeelde ik van mijn meelezer het manuscript van haar tweede roman. Dit deed ik tussen 12 augustus en 4 oktober.

Zowel in ‘De IJskoning’ als in ‘Eksteroog’ was ik op ‘nieten’ jacht gegaan. Omdat alternatieven voor het woord ‘niet’ zoeken en plaatsen op een gegeven moment je concentratievermogen aantast, bovendien nogal saai wordt, heb ik tussendoor interessantere dingen ter hand genomen.
Zo heb ik twee wat oudere verhalen toegeschreven naar een Schrijverscafé-schrijfopdracht en heb ik met drie verhalenwedstrijden meegedaan. Een van de drie ingezonden verhalen is opgenomen in een bundel. Tussen 27 november en 2 december en tussen 12 en 22 december voerde ik een spellingscontrole uit over de vier delen van ‘Gestolde Liefde.’

Leven en schrijven
En heb ik in 2016 ook nog geleefd en iets beleefd? Dat zullen ongetwijfeld sommige lezers zich afvragen. Indien niet alleen voor mijzelf interessant en als de Muze het toestaat, vinden jullie een antwoord op die vraag te zijner tijd terug in mijn verhalen en romans. Maar daarvoor moeten ze dus wel eerst zijn gepubliceerd. Misschien zou ik ondertussen ergens al iets kunnen gaan voordragen uit eigen werk?

*) Het Schrijverscafé is een door Daretoo in het leven geroepen LinkedIn groep, waarin schrijvers ervaringen kunnen uitwisselen. We geven elkaar tips, helpen bij de oplossing van een bepaald schrijfprobleem. Binnen het Schrijverscafé bestaat ook de mogelijkheid om elkaar schrijfopdrachten te geven. Iedereen kan daaraan meedoen, alle deelnemers kunnen een schrijfopdracht geven. De inzendingen kunnen door alle deelnemers worden beoordeeld. 

zondag 8 januari 2017

Dolende planten – een romanfragment uit ‘De IJskoning’

Ze loopt met de aluminium gieter achter mijn vader in zijn luie stoel en voor de tv langs, blijft staan voor elk bakje van de centrale verwarming en elke plantenbak die de woonkamer rijk is. Maandagavond: plantenwatergeefavond. Ook op vierentwintig december. Haar planten, het zijn er zovele - er zitten er tussen die ze niet bijtijds heeft weten te verpotten, zodat de wortels naar buiten zijn gaan stulpen, zich om de schotel heen hebben gekromd. Een enkele keer zet een van die planten het dan op een lopen, in een tijdsduur van een maand zeker een centimeter of twee. Af en toe valt er een, ergens diep in de verste uithoeken van het huis, van een tafeltje of een kast. Af en toe dondert er ook wel eens eentje van de trap, op de treden een spoor van scherven en aarde achter zich latend. Volkomen onbegrijpelijk vindt mijn moeder dit. Ze verdenkt mij ervan dat ik die plant op de rand van de trap heb gezet.

zaterdag 31 december 2016

‘De IJskoning’: klaar voor de uitgever? – deel X (slot)

Op naar de uitgever, op naar de lezer!

Laatste redactieslag voltooid
De afgelopen tijd heb ik in ‘De IJskoning’ de synoniemen en zinnen die in de plaats zijn gekomen voor het woord ‘niet’ op hun leesbaarheid gecontroleerd. Kwamen ze geforceerd over, dan paste ik de tekst nogmaals aan. Soms bleek dat onmogelijk en plaatste ik een ‘niet’ terug. Zo zijn er 22 ‘nieten’ in ‘De IJskoning’ teruggekeerd. Ook heb ik nog 30 ‘nieten’ kunnen verwijderen.
Op dinsdag 27 december heb ik aan deze werkzaamheden een punt gezet. Daarmee is de laatste redactieslag op ‘De IJskoning’, waaraan ik in januari 2016 was begonnen, voltooid. De roman is klaar voor de uitgever. (In die richting heb ik al een bescheiden stap genomen).

Ter vergelijking
Om u een indruk te geven wat er in deze maanden, mede dankzij de opmerkingen van mijn meelezer, zoal is veranderd: hieronder twee fragmenten uit Hoofdstuk 2:

Versie 2013:
‘Mijn moeder, ze heeft die waxinelichtjes geplaatst om ons te beschermen tegen de boze buitenwereld, de geesten die er ronddolen, de verdwaalde geesten die op zoek zijn naar een mens die door wat hem allemaal overkomen is eigenlijk niet meer zo goed weet hoe het verder met hem moet. En dan weet ze helemaal nog niets van wat ik vanmiddag voor die kroeg heb beleefd.
    Je kunt ze maar beter weer doven, mam. Voor mij helpen die waxinelichtjes niet. Ik geloof er niet in. Neem ze mee naar boven, naar je hobbykamer. Zet ze daar om je heen, straks na het eten, wanneer je er weer een uurtje gaat mediteren. En als je dat gaat doen, wil je dan ook eens gaan mediteren op een van die negatieve eigenschappen van jou? Die overdreven, verstikkende aandacht voor mij? Je vindt me interessant, vanaf het begin heb je mij voorlijk genoemd. Maar of dat nu een zegen is, dat voorlijk zijn? Vanaf het begin, vanaf het moment dat ik zelfstandig ben gaan denken heb je een hele tijd geprobeerd om van mij een toeverlaat te maken, een gesprekspartner. Dat is je niet gelukt en daarom ben je me maar gaan aanhalen. Ja, je probeerde van mij je knuffelbeertje te maken. Ook dat is je uiteindelijk niet gelukt. Vanaf mijn negende heb ik mij zo veel mogelijk buiten je omarmingen weten te houden. Die man hier recht tegenover mij, die man die zich mijn vader noemt, jouw wettige echtgenoot: daar hoor je je tegenaan te vlijen, met hem moet je praten, bij hem kun je je knuffeltjes vandaan halen. Niet bij mij.’

Versie 2016:
‘Mijn moeder, ze heeft die waxinelichtjes geplaatst om ons te beschermen tegen de boze buitenwereld. Je kunt ze maar beter weer doven, mam. Voor mij helpen ze niet. Ik geloof er niet in. Neem ze mee naar boven, naar je hobbykamer. Zet ze daar om je heen, straks na het eten, wanneer je er een uurtje gaat mediteren. En als je dat gaat doen, wil je dan ook eens stil blijven staan bij een van die negatieve eigenschappen van je? Die overdreven, verstikkende aandacht voor mij? Je vindt me interessant, vanaf het begin heb je mij voorlijk genoemd. Maar of dat een zegen is, dat voorlijk zijn? Vanaf het begin, vanaf het moment dat ik zelfstandig ben gaan denken heb je geprobeerd om van mij een toeverlaat te maken, een gesprekspartner. Tot ik mijn handen tegen mijn oren begon te drukken. Vervolgens ben je me maar gaan aanhalen. Godzijdank heb ik me al vanaf mijn negende buiten je omarmingen weten te houden. Die man hier recht tegenover mij, die man die zich mijn vader noemt, jouw wettige echtgenoot: daar hoor je je tegenaan te vlijen, met hem moet je praten, bij hem kun je je knuffeltjes vandaan halen. Niet bij mij.’

Aanprijzing
Al zeg ik het zelf: ‘De IJskoning’ leest als een trein. De lezer wordt wel gevraagd, af en toe terug te bladeren of het verhaal goed in zijn hoofd te houden, want ‘De IJskoning’ scherpt de geest. Er staat wijsheid in, er staat baarlijke nonsens in. Ja, de geest van de lezer wordt scherp gehouden. Scherp gehouden door:

prachtige zinnen
levensechte beschrijvingen
thema’s en symbolen die ondergronds verbindingen met elkaar aangaan
en: spannende momenten.

Binnen deze zinnen speelt zich een familiedrama af. Nu en dan kan er een traan worden weggepinkt. Maar er zijn ook momenten voor een lach. En als de lezer de laatste regel van ‘De IJskoning’ gelezen heeft, zal hij of zij denken: dit had ik niet verwacht. Maar het klopt met het geheel. Alles heeft met alles te maken, en wel zó dat de lezer na een weekje ‘De IJskoning’ nog eens wil lezen.

Oproep en wens
Ja, ‘De IJskoning’ is klaar voor de uitgever. Daarom roep ik iedereen op om dit bericht onder vrienden, kennissen en familie te verspreiden. Lees de fragmenten in ‘De IJskoning’ (klik daarvoor rechts van deze tekst op de cover van ‘De IJskoning’). Leest en zegt het voort: ‘De IJskoning’ is een prachtroman! Misschien wordt door deze reclame de kring van geïnteresseerden en potentiële kopers zo groot, dat een uitgever de publicatie van ‘De IJskoning’ eerder durft aan te gaan.

Ik wens u allen een goed Oud en Nieuw toe en vooral een gezond 2017 vol leesgenot.

Eric Steiner.

donderdag 22 december 2016

Hij is dol op muziek – een kerstverhaal


Ik beweeg mij niet, maar de tranen prikken mij in de ogen. Thuis heeft mama beweerd dat het vast een hele opgaaf voor mij zal zijn: zo lang blijven stilzitten, en toen heeft papa gezegd: ‘Geef hem toch die kans. Hij is dol op muziek.’

Ik ben muisstil, maar mijn keel doet pijn. We zitten in het midden van de vierde rij. Ik heb eerbiedig gekeken naar het grote koor in de blauwe jurken dat op het podium plaatsnam. Ik heb roerloos en zonder een vraag te stellen het stemmen van het orkest gevolgd. En toen waren er allemaal klappende mensen om mij heen. Wat een geruis, het leek wel een waterval. Papa en mama deden ook mee en toen ik ook. Op het podium verschenen de dirigent en de solozangers en -zangeressen.

Het orkest was beginnen te spelen, het koor viel in.
Jauchzet! Frohlocket! Auf, preiset die Tage. Zoiets overweldigends had ik nog nooit gehoord. Dit was wel wat anders dan de koptelefoon van mijn papa. Mijn papa, die mij vanmorgen had uitgelegd wat recitatieven en aria’s zijn. Ik vond ze niet zo mooi. Maar nu het koor weer is gaan zingen - nu het zingt Wie soll ich dich empfangen - zijn er tranen in mijn ogen gaan prikken.

Ik kan er niets aan doen, ik houd wel van Bach maar het is de gedragen melodie waardoor ik huilen moet. En nu komt er ook nog een geluid uit mijn keel. Door mijn natte wimpers heen zie ik mama’s kwade blik naar mijn papa. Mama aait mij over mijn wang en legt mijn hoofd in haar schoot en ik blijf maar doorgaan met huilen, doe mijn best geen geluid te maken wanneer de muziek zachter klinkt. Mijn buik schokt en het blaadje in mijn moeders handen trilt. Programma Kerstconcert 1978.

In de pauze staan we opeens buiten. Mama scheldt op papa. Vlakbij zijn fakkels en verbaasde blikken van mensen. Dat zijn mensen van Het Leger des Heils, heeft papa mij geleerd. Het koper van de blaasinstrumenten schittert.

Papa maakt een driftig gebaar in de lucht en loopt van ons weg. Nou krijgen we vast geen kerstboom meer. 

Mama pakt me bij de arm. Alleen wandelen wij over de straattegels. Achter mijn rug hoor ik het Legers des Heils spelen. Ik buig mijn hoofd. Voorbij mama’s mantel verschijnt om beurten de punt van haar schoenen. Ze loopt snel, ik kan haar amper bijhouden. Als we stilstaan voor een zebrapad, kijk ik naar haar omhoog. ‘Waar gaan we naartoe?’
‘Naar de bushalte.’

Het is plotseling heel erg koud om mij heen en ik steek mijn ene hand in mijn jaszak en mijn andere in mama’s zachte bontmantel. Misschien gaat ze dan ook langzamer lopen. Maar eerst moeten we nog wachten tot het stoplicht op groen springt.

Ik kijk achterom, naar het Musis Sacrum. En weer omhoog naar mama’s ernstige gezicht. En naar de bevroren sterrenhemel, ver boven haar. Zo groot en oneindig diep. Maar niets kon toch oneindig zijn? Wat zat er achter het einde? En wat voor het begin? Mijn leven en dat van al die andere mensen hier op aarde was slechts een knipoog in de eeuwigheid. Het is niet eerlijk dat er in zo’n kleine knipoog nog zo veel gemeenheid kon zitten.

‘Mama?’
‘Ja, schat?’
‘Als ik er niet was geweest. Was er dan een ander baby’tje uit jouw buik gekomen?’ Ze gaf geen antwoord. ‘En had je die dan ook Patrick genoemd?’
‘Kind, zeg toch niet van zulke dingen. Papa en mama houden heel veel van jou.’
Maar ze houden niet van elkaar.


‘Hij is dol op muziek’ is een summiere bewerking van Hoofdstuk 67 uit mijn roman ‘De IJskoning.’

woensdag 14 december 2016

‘De IJskoning’: klaar voor de uitgever? - deel IX

Op 'Nieten' Jacht

Waaraan een tekst dient te voldoen
Een tekst dient gevarieerd te zijn, o.a. in zinslengte en in woordkeuze. Teveel dezelfde woorden vlak op elkaar kunnen het lezen van een tekst ophouden. Wie niet gelezen wil worden, moet ze vooral laten staan.
Ik wil gelezen worden.
Volgens mijn Schrijverslogboek kwam ik op 1 oktober jl. erachter dat ik in ‘De IJskoning’ nogal vaak het woord ‘niet’ gebruikte. Daar ben ik de afgelopen periode dus mee aan de slag geweest.

Energievreter
‘Nieten’ vervangen door synoniemen als ‘weinig’, ‘moeilijk’, ‘onmogelijk’ en ‘allerminst’ kostte mij nogal wat energie.
Soms was het nodig om een zin volledig om te bouwen, omdat een synoniem niet paste. Ook dat kostte veel energie.
Over het algemeen had ik na anderhalf of twee uren ‘nieten’ vervangen het wel gehad.
Vandaar dat ik tussendoor andere, meer interessante schrijfzaken ter hand genomen heb. (Daarover in een volgende blog meer.)
Het verklaart ook waarom ik nu pas klaar ben met het verwijderen van ‘nieten’ in ‘De IJskoning.’

Bij kopzorg en radeloosheid: ga langs bij Harry Mulisch
Het verwijderen van ‘nieten’ bezorgde mij nogal wat kopzorg. Ik werd er een beetje radeloos van. Na drie weken vroeg ik mij af: Hoe doen andere schrijvers dit? Ik ging te rade bij Harry Mulisch. De eerste 54 bladzijden van ‘De Aanslag.’


Welgeteld kwam in op deze bladzijden 105 ‘nieten’ tegen. Op de manier hoe ze over de pagina’s waren verdeeld, dacht ik: ik ben op de goede weg. Dus ik ging door.

Eindelijk klaar met die ‘nieten’ klus?
Op donderdag 8 december was ik dan eindelijk door de 432 bladzijden van ‘De IJskoning’ heen. Ik overzag de overgebleven en vet gemaakte ‘nieten’ en was aan het eind van deze bezigheid weinig tevreden. Op sommige bladzijden zaten nog steeds vijf, soms wel zeven ‘nieten.’
Van Harry Mulisch wist ik het inmiddels. Hoe gingen andere gerenommeerde schrijver met ‘nieten’ om?

Het gerenommeerde schrijversonderzoek
Achtereenvolgens nam ik ter hand:

‘Noodlot’ / Louis Couperus
‘Grijze zielen’ /  Philippe Claudel
‘Honderd jaar eenzaamheid’ / Gabriel García Márquez
‘Liefde in tijden van Cholera’ / Gabriel García Márquez
‘Sinaasappels zijn niet de enige vruchten’ / Jeanette Winterson
‘De Voorlezer’ / Bernhard Schlink

Mulisch meegerekend, kwam ik tot het volgende resultaat:

 

Rekensom
Ik heb bewust 54 pagina’s gekozen, omdat ‘De IJskoning’ 432 bladzijden telt.

8 x 54 = 432

Zouden bovenstaande boeken evenveel bladzijden tellen als ‘De IJskoning’, dan zouden we per boek op het volgende aantal ‘nieten’ uitkomen: (A) 840, (N) 1169, (G)1024, (H) 984, (L) 1288, (S) 1376, (V) 1786.

Conclusie
Mijn roman ‘De IJskoning’ had voordat ik met de schifting begon 1490 ‘nieten.’ Ik heb ze kunnen terugbrengen tot 966. Daarmee kan ik ‘De IJskoning’ plaatsen tussen ‘De Aanslag’ en ‘Noodlot.’

Intermezzo
Er valt veel te zeggen over hoe bovenstaande schrijvers het woord ‘niet’ hebben toegepast. Misschien wijd ik daar ooit nog eens een blog aan.

Het gerenommeerde schrijversonderzoek: nuttig voor het schrijven van de ideale roman?
Na dit onderzoek, weet ik wat mij te doen staat. Stoppen met ‘nieten’ schiften. Ja, want je kunt wel eeuwig blijven sleutelen aan de vervolmaking van je roman, de ideale roman is toch niet te schrijven. Wanneer de ideale roman te schrijven was, schreef ik niet meer, dan zou niemand meer schrijven. Als je weet hoe het moet, is er weinig lol meer aan.

Wat mij verder te doen staat
Nog één keer ‘De IJskoning’ doorlezen. Om na te gaan of de woorden of zinnen die de ‘nieten’ hebben vervangen niet geforceerd overkomen. En daarna officieel bekendmaken, dat deze roman geschikt is om richting uitgever te gaan.

donderdag 3 november 2016

Zes jaar zonder Harry Mulisch

Proloog
Aanstaande zondag is het zes jaar geleden dat Harry Mulisch overleed. Harry Mulisch was mijn grote voorbeeld uit de beginjaren van mijn schrijverschap.

Waarom ik van Mulisch’ oeuvre houd
Meteen was ik al verkocht bij het eerste boek dat ik van Harry Mulisch las: ‘Archibald Strohalm.’
Dat kwam niet alleen door de toon, maar vooral door het absurdisme dat er doorheen was geweven: de man die zijn huis met allerlei draden en apparaten verbonden had met de natuur; de poppenkast van Ouwe Opa, waartegen Archibald Strohalm met een eigen op te zetten poppenkast van leer wil trekken; en natuurlijk de vele eieren die uit de lucht komen vallen.
Een waanzinnig boek.

Ik besloot alles van Harry Mulisch te gaan lezen.
Toen ik daarin een eindje was gevorderd, schafte ik mij ook secondaire literatuur aan, want er was altijd wel iets in Mulisch’ werk dat voor mij en vele anderen niet te vatten viel. Maar goed, wat wil je van een schrijver die beweerde: ‘Het beste is, het raadsel te vergroten’?

Vanaf midden jaren zeventig werden Mulisch’ werken toegankelijker. ‘Twee vrouwen’, ‘De Aanslag’, ‘Hoogste Tijd’, ‘De Pupil’ en ‘De ontdekking van de Hemel.’ Het onbegrijpelijke is daarin nog wel aanwezig, maar ligt meer verborgen, in de diepere lagen. Je hoeft je wenkbrauwen niet meer zo vaak te fronzen.

Voor wat Mulisch’ verhalen betreft, heb ik speciaal genoten van ‘De Versierde Mens’ (vanwege de enthousiaste toon, die overigens meer van zijn vroegere werken kenmerkt); van ‘Paralipomena orphica’ (vanwege de emotionele lading die niet wordt benoemd, maar juist daardoor des te sterker voelbaar is); en van ‘Oude Lucht.’ (op dit verhaal kom ik zo dadelijk terug).

Van zijn studies, tijdsgeschiedenissen, autobiografische werken noem ik hier: zijn verslag van het proces tegen Eichman (‘De zaak 40/61’); zijn analyse van wat er gebeurd zou zijn als Hitler de oorlog gewonnen had (‘De Toekomst van Gisteren’); en de voor sommige lezers arrogante, naar hoogmoedswaanzin neigende autobiografie ‘Voer voor Psychologen.’ Arrogant vooral, omdat Mulisch daarin – vrij naar Nietzsche ’s ‘Ecce Homo’ – uitlegt waarom hij zulke goede boeken schrijft.

Waarom ik Mulisch’ arrogantie wel kan waarderen
Mulisch’ arrogantie, daar hebben vanaf het begin tot aan zijn latere jaren veel mensen niet tegen gekund. Neem bijvoorbeeld ‘De Pupil’ uit 1987. Daarin presenteert hij zichzelf als een jonge god. Een jonge god die aan het begin van zijn schrijverscarrière vlak na de Tweede Wereldoorlog de Vesuvius bestijgt en de personages tegenkomt die zijn nog te schrijven verhalen en romans zullen gaan bevolken.
Geniaal.

Mulisch's arrogantie is een bepaalde vorm van ironie die veel mensen niet begrijpen: die van de zelfspot.

Waarom Harry Mulisch wel en niet mijn schrijverschap heeft beïnvloed
In de beginjaren van mijn schrijverschap was ik zó van Harry Mulisch onder de indruk, ik noemde en citeerde hem zó vaak, dat een van mijn vrienden zich liet ontvallen: ‘Het lijkt wel of jij Harry Mulisch zelf bent. Jij wilt Harry Mulisch zijn.’

Die vriend zat er naast.

Wie mij kent, weet dat ik geen pijpen rook.
Wie mij kent, weet dat ik geen teckel heb.
Wie mij kent, weet dat arrogantie mij vreemd is. Ik geloof dat ik niet zou durven beweren dat ik zulke goede boeken schrijf.

Voor mijzelf heb ik als stok achter de deur wel op een tegeltje gezet:

‘Als ik een goed boek wil lezen, dan schrijf ik er een.’

Harry Mulisch, hij schonk mij in de beginjaren van mijn schrijverschap de vrijheid om in mijn eigen proza vaag en onduidelijk te mogen zijn. Maar in tegenstelling tot dat van Mulisch’ proza, was dat van mij zonder diepere betekenslagen.

Wanneer ik aan Harry Mulisch denk, dan moet ik ook weer denken aan die ene Neerlandicus die mij ooit eens onder handen genomen heeft, als een tandarts die niet van verdovingsspuiten houdt. Hij wees mij op mijn literaire gebreken. En het deed pijn. Erg veel pijn.

Hoe mijn proza dan wel zo veel beter kon? Daarvoor verwees die Neerlandicus mij door naar de eerste bladzijde van een aantal literaire werken. Daaronder bevond zich Mulisch’s verhaal ‘Oude lucht.’

Waarom is ‘Oude lucht’ een geslaagd verhaal? Omdat je er als lezer met de eerste twee zinnen al in opgezogen bent:

‘Kijk – als je mijn vinger volgt kun je hem zien: hij daar, op het platte dak van die bungalow, met alleen die witte broek aan. Halfnaakt zit hij in een ligstoel van gebleekt, door de zon aangevreten linnen, zo ver doorgezakt dat zijn stuitje bijna het terras raakt.’

Na deze twee zinnen kan toch niemand meer ophouden met lezen?

Sinds de tandartsenbehandeling door de Neerlandicus probeer ik zo duidelijk mogelijk te schrijven.
Maar op mijn weg naar dit doel ben ik wel gaan inzien, dat het raadsel niet ontbreken mag. Timmer nooit je verhaal dicht met verklaringen en uitleg. Anders blijft er voor de lezer geen prikkel meer over. Het raadsel moet worden vergroot, de lezer moet aan het denken worden gezet.

Epiloog, of: Waarom Harry Mulisch de Nobelprijs voor de literatuur niet gewonnen heeft en er toch hoop voor het Nederlandse taalgebied blijft
Kort na Harry Mulisch overlijden zullen zijn vijanden meesmuilend hebben gedacht: ‘Mooi. Het is hem dus niet gelukt om de Nobelprijs voor de literatuur in de wacht te slepen.’
Helaas. Hermans, Reve, Wolkers en Claus zijn daarin ook niet geslaagd.
De reden? Net als Mulisch zijn ze gewoon te vroeg dood gegaan.

Maar er blijft hoop. Richten wij ons op de huidige generatie Nederlandse en Vlaamse potentiële Nobelprijswinnaars. De Van der Heijdens en de Grunbergen, de Hemmerechtsen en Uphoffen, de Rosenbomen en Verhulsten. En op al diegenen die vanuit de schaduw van het onbekende zich een weg banen naar de uitgeversdeur.