Posts tonen met het label 'De IJskoning'. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 'De IJskoning'. Alle posts tonen

donderdag 28 maart 2019

De moeder de vrouw


Bij het afscheid wilde mijn moeder me omhelzen, maar dat weigerde ik. Ze kneep me in mijn bovenarmen en keek me aan, alsof ik nooit meer terug zou komen. De laatste dagen had ik haar ’s avonds en ’s ochtends in haar hobbykamer aangetroffen, mediterend, de hielen op de knieholtes, met een cirkel van waxinelichtjes om zich heen. Als ze haar zin had gekregen, dan zou ze vanuit haar hobbykamer zeker ook waxinelichtjes op de overloop hebben neergezet. En op de trap naar beneden. In de woonkamer, als extra aanvulling tussen de geraniums en de primula’s in de vensterbank. In de keuken, naast de vrouwentongen op de koelkast. In de bijkeuken en terug de gang door, helemaal naar de voordeur toe. Op de stoep van het huis, langs het grindpad en de coniferen. In elke straat van onze wijk, in de hele stad, in heel Nederland: de waxinelichtjes van mijn moeder. En elk waxinelichtje was bestemd voor mijn behouden terugkeer.

(fragment uit ‘De IJskoning’)

woensdag 6 juni 2018

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroogs diagnose’ – deel XI



Behouden droomfragment

De vorige keer vertelde ik waarom een bepaald fragment uit ‘Eksteroogs diagnose’ is geschrapt. Hij leek te veel op eentje uit ‘De IJskoning.’
De vorige keer liet ik jullie het uit ‘Eksteroogs diagnose’ geschrapte fragment lezen. Deze keer is het de beurt aan het behouden fragment uit ‘De IJskoning.’

Ik lig opgebaard in mijn netste pak. Nooit geweten dat ik er een had. De Latijns-Amerikaanse met de glanzende borsten is in het zwart gekleed. Ze licht haar rouwsluier op en samen met Lilian Gish buigt ze zich over mij heen. Rudolph Valentino en Siegfried voegen zich bij hen. Gevieren bedekken zij mijn borst met heldenmedailles. In een koets lig ik opgebaard, een koets die Rudolph Valentino en Siegfried in het water duwen. Hebben ze dan niet door dat ik nog leef? Ik lig alleen maar in coma, ik hoor en zie alles. Jullie willen toch niet dat ik verdrink? Geef me op zijn minst een rietje mee, zodat ik kan blijven ademhalen!
Langzaamaan voel ik mijn rug nat worden, langzaam klotst het water onder mij heen en weer, langzaam komt het water tot aan mijn schouders. Aan de oever staan de kinderen van de Overmaats te schateren van plezier. Ik zink onder de waterspiegel. Om mij heen zwemmen zeehonden en dolfijnen.

(De IJskoning, fragment uit Hoofdstuk 73. Een leeg, zwart-wit geblokt plein)

N.B.: ‘Eksteroogs diagnose’ heet tegenwoordig ‘De geschonken tijd’


woensdag 23 mei 2018

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroogs diagnose’ – deel X


Afgewezen droomfragment

Gooi niets weg
Met name om de vaart en de spanning er in te houden, zijn er in de loop der jaren uit de roman Eksteroogs diagnose’ heel wat overbodige woorden en zinnen, ja zelfs hele lappen tekst verwijderd.

Uit een enkele zin zou een heel nieuw verhaal kunnen voortvloeien. En die hele lappen tekst zouden na kleine aanpassingen als zelfstandig verhaal door het leven kunnen gaan. Mits zo’n verhaal niet te veel lijkt op de roman waarin hij geboren is.

Bestaansrecht
Uit ‘Eksteroogs diagnose’ is een lap tekst verwijderd die m.i. wel interessant is, maar die geen bestaansrecht heeft. Hij lijkt te veel op een scene uit die andere roman, ‘De IJskoning.’ De woorden en de zinnen zijn anders, maar de situatie is bijna identiek.

In 2009 besloot ik voor de tekst van ‘De IJskoning’ te kiezen. Vanaf dat moment kon die van ‘Eksteroogs diagnose’ alleen nog in een blog als voorbeeld dienen van een verwijderd fragment.

Bij deze.


Voorbeeld 
Een langzaam schuin naar beneden hellende gang met rechts vooraan een spiegel, waar overheen een laken is gehangen. Het laken beweegt op de stroming van de lucht, er moet ergens een deur open staan. Ja, achter mij. Het daglicht komt door een kier naar binnen vallen, het licht van een zomerse dag.

Knerpend grint. Voetstappen. Er verschijnt een vrouw die de deur verder opent en met twee kinderen voor zich naar binnen stapt. Het is Wenneke. Ze geeft Ronny en Rianne een zetje. Eerst willen ze niet, maar dan maken ze zich van haar los en beginnen ze giechelend op haar schaduw te trappen. Janet zegt dat ze daarmee moeten ophouden, maar ze trappen steeds harder op haar schaduw, die bij elke stap die ze verder in de gang doet als maar langer wordt.

Tegenover de spiegel is een deur. Ze wil aankloppen, maar haar wordt al opengedaan.

Een donker vertrek, de raamgordijnen zijn gesloten. Ook hier bevindt zich een toegedekte spiegel. In het midden staat een bed. Er ligt iemand op. Alleen stukjes van zijn broekspijpen en colbert zijn te zien, er zijn mensen om dat bed heen gedromd. Een man met een amechtige borst, een vrouw met een driedubbele onderkin, een man met krukken, een vrouw in een paarse jurk, een man met een ringbaardje en een wrat naast zijn neus.

Ik stap tussen hen door en meng mij tussen Dolf en Evelien met hun baby en Peter en Annet met hun baby die nog met de navelstreng zijn verbonden met de moederbuik. Het bed stinkt. De dekens voelen vochtig aan. Er zit vast schimmel in, ik ruik paddenstoelen.

Aan de andere kant van het bed staat Hubert. Hij buigt zich over de persoon die daar ligt heen en ik hoor hem fluisteren: ‘Ga maar. Ga naar het licht.’
Die persoon die daar ligt, dat ben ik.

Op de gang slaat de buitendeur dicht en de spiegel zowel in de gang als hier in deze ruimte vallen aan gruzelementen.

(scene uit Hoofdstuk 60. Een aangenaam, vloeibaar en warm licht)

N.B.: ‘Eksteroogs diagnose’ heet tegenwoordig ‘De geschonken tijd’

donderdag 10 mei 2018

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroogs diagnose’ – deel IX


De grootste angst van iedere pc-schrijver

Vervolmaking
De afgelopen maand ben ik o.a. bezig geweest met het vervolmaken van de synopsissen van ‘Eksteroogs diagnose’ en ‘De IJskoning’. Ik was van plan beide romans tegelijkertijd naar verschillende uitgevers op te sturen. Ook heb ik in de afgelopen maand gewerkt aan een begeleidend schrijven voor elk van die uitgevers. Op maandag 30 april was ik met deze bezigheden bijna klaar. En wat gebeurt er? Mijn computer springt op zwart.

Verdwazing
Met een knal, als van een springende gloeilamp. Mijn bureaulamp bleek het ook niet meer te doen, in heel de woonkamer was geen stroom. Ik werd omgeven door een intense stilte, alsof de wereld was vergaan.
Ik keek naar buiten. Waarom eigenlijk? Ik verwachtte een stroomstoring in de wijk. Maar daarvoor hoef je op klaarlichte dag niet naar buiten te kijken. Op klaarlichte dag branden er geen straatlantaarns. En de overburen hadden ook geen lamp branden, want daar scheen de zon recht naar binnen.
Het naar buiten kijken was puur een vorm van verdwazing. Mijn verstand wist wel dat het mijn computer was, maar mijn gevoel hoopte op een andere oorzaak.
Verdwaasd bleven verstand en gevoel uiteindelijk bij hetzelfde hangen: als mijn bestanden en vooral mijn verhalen, novellen en romans, waar ik in de afgelopen jaren zo veel energie in heb gestopt, maar niet verloren zijn gegaan. De angst van iedere pc-schrijver.

Ontnuchtering
In de gang bleek ik ook geen stroom meer te hebben. Het licht in de badkamer deed het nog wel. In de meterkast in de gang frummelde ik wat aan schakelaars, en toen had ik overal weer stroom. Verderop, in de woonkamer, hoorde ik de printer zichzelf opstarten.
En mijn computer? Wat ik ook probeerde, die bleef dood.

Verlies
Mijn ICT-man gebeld. Om kort te gaan: vijf dagen later stond er op mijn bureau een gloednieuwe computer.
En de bestanden van de ouwe: zijn er geen verloren gegaan?
Uiteraard beschik ik over een externe harde schijf voor back-ups. Die was de avond voorafgaande aan de crash nog om 23:00 uur geactualiseerd. In afwachting van mijn nieuwe computer was ik er maar vanuit gegaan, dat daar niet de kortsluiting in had huisgehouden.
Nog zo’n angst van de pc-schrijver. Honderd ICT-mannen en –vrouwen kunnen mij vertellen dat de kans op een van een computer naar een externe harde schijf ‘doorgeslagen kortsluiting’ 0,1 % is - ik als halve digibeet blijf die angst in mijn hoofd en maag voelen, tot ik met eigen ogen heb gezien dat alles behouden is gebleven.

Urenverlies
Waar het mij speciaal om ging, waren de laatste twee uur vóór de crash. Juist in die uren was ik bezig geweest met een voor een bepaalde uitgever bestemde synopsis, die telkens net een regel over het toegestane aantal bladzijden heen ging. Daar heb ik intensief aan zitten sleutelen, om precies te zijn aan één enkele zin, om een antwoord te krijgen op de vraag: hoe krijg ik dezelfde hoeveelheid informatie met een regel minder aan tekst? Het was me nog gelukt ook.
Een kwartier later sprong dus mijn computer op zwart, en hevig verontrust kon ik me niet meer herinneren of ik in dat laatste kwartier wel tussentijds had opgeslagen.

Geruststelling
De back-up van de externe harde schijf bleek niet te hoeven worden aangesproken. Alle bestanden van de oude computer konden zonder problemen naar de nieuwe overgeheveld worden. En alles stond er op, inclusief mijn laatste synopsisverbetering.
Ik kan weer verder.

N.B.: ‘Eksteroogs diagnose’ heet tegenwoordig ‘De geschonken tijd’


woensdag 21 maart 2018

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroog’ – deel VIII B


door
Sophia Désedan


Hadden je meelezers nog meer kritiekpunten?

Een paar spelling- of taalfoutjes, een verkeerde uitdrukking. Hier en daar kon nog wel een te uitleggerig zinnetje worden geschrapt.
Een van de nieuwe meelezers had zo zijn twijfels bij de relevantie van sommige Kefaloniafragmenten, of die het verhaal wel ondersteunden.

En wat heb je d’r mee gedaan, met die laatste opmerking?
Ik heb die fragmenten nog meer in verband proberen te brengen met de hoofdthema’s van de roman.

Zoveel kritiekpunten waren d’r dus niet. Waarom heeft ‘t dan nog zo lang geduurd, voordat je je bereid verklaarde voor dit interview?

Dat komt omdat ik niet meteen en ook niet zonder onderbrekingen met de opmerkingen en kanttekeningen aan de slag ben gegaan. Op mijn beurt heb ik van de twee nieuwe meelezers elk een manuscript doorgelezen en beoordeeld. Verder heb ik de hele maand november gebruikt om mijn National Novel Writing Month roman te schrijven: ‘Gesprekken met mijn moeder.’
Pas in december kon ik echt de slag gaan met de opmerkingen van mijn drie meelezers.

En dan nog vind ik dat je d'r behoorlijk lang over gedaan hebt

Ik heb echt niet stilgezeten, hoor. Nou ja, dus wel. Achter de computer.
Nog heel wat meer zaken heb ik binnen de roman met elkaar in verbinding gebracht. Zinnen die te veel op elkaar leken en bepaalde uitdrukkingen, geëlimineerd. Daarbij ontdekte ik dat ik nogal vaak bepaalde ‘stopwoorden’ gebruikte: misschien, heel, vaak, soms, veel, dus, toch, maar en hun synoniemen. In boeken van gerenommeerde schrijvers bleken die nauwelijks voor te komen. Ook in de roman ‘De IJskoning’ en ander werk van mij kwam ik die stopwoorden tegen. Vervolgens ben ik beide romans per stopwoord ter hand gaan nemen.
Daarna het geheel nog eens doorgelezen om te zien of door al dat vele schrappen de zinnen niet opeens geforceerd overkomen. Sommige woorden moesten toch weer terug worden geplaatst.

Vreemd hoor, dat je nu pas achter die stopwoorden gekomen bent.

Afstand schept inzicht.

Leg dat eens uit?

Eerst probeer je in het verhaal te komen, vervolgens in het hoofd van je personage. Als je verhaal en je hoofdpersonage er eenmaal staan, dan ga je kijken naar de stijl, zoek je naar verbanden, voeg je verbanden toe om er echt een eenheid van te maken. Daarna is het tijd om de hele tekst strak te trekken. Je zit nog steeds bovenop de woorden. Pas wanneer je wat afstand hebt kunnen nemen van het verhaal en je hoofdpersonage, ben je in staat om de kleine onvolkomenheden als bepaalde stopwoorden te ontdekken. Nu ik me er bewust van geworden ben dat ik ze gebruik, zal ik in denk ik ook staat zijn om ze direct bij eerste herlezing lezing te schrappen. – Afstand schept inzicht.

En na die schrappingen was je dan eindelijk klaar?

Bijna, bijna. Tussen 17 en 27 februari heb ik zowel ‘Eksteroog’ als ‘De IJskoning’ in zijn totaliteit nog één keer doorgelezen. Daarbij ben ik toch nog weer een paar tegenstrijdigheden tegengekomen (ja, nu pas, want ook hier geldt: afstand schept inzicht). Die heb ik weggewerkt. Ook tijdens een laatste spellingscontrole kwam ik nog een paar spellingfouten tegen die Word tot nu toe over het hoofd had gezien. Vreemd eigenlijk…  Maar goed, beide romans zijn nu dus definitief klaar voor de uitgever.

Geloof je ‘t zelf? Over ‘De IJskoning’ heb je  zo vaak gezegd dat die klaar zou zijn voor de uitgever. En telkens weer kwam je d’r op terug.
‘t Wordt tijd om ze los te laten, Eric! Bij elke herlezing zul je weer een foutje of een punt ter verbetering ontdekken. Maar dat zal een uitgever ook doen. Dus, loslaten! Stuur die beide romans eindelijk eens op. Nu!

Gelijk heb je.

N.B.: ‘Eksteroogs diagnose’ heet tegenwoordig ‘De geschonken tijd’


maandag 29 januari 2018

Wraak, of toch maar niet? (Dl. 3) – een romanfragment uit ‘De IJskoning’

Een pauw die pronkt met zijn veren
Ze bleef lang in de badkamer. Ik deed de tv aan en zapte wat rond. Bleef hangen bij een pauw die pronkte met zijn veren. Zag een man zijn blik laten gaan over de volle borsten van een passerende vrouw. Zag in een discotheek een blondine kijken naar de billen van een strippende man. Zag een leeuwin een leeuw een tik op zijn neus geven en hem vervolgens, na een hoop getalm tot zich toelaten. De voice-over liet woorden vallen als: ‘social behavior’, ‘agression,’ ‘territory,’ en ‘mate selection.’
   
Op de meest onverwachte momenten
Zita kwam terug, ging naast me op bed zitten en volgde een tijdje de documentaire met me mee. Ze zei: ‘Waarom redeneren die wetenschappers toch alles dood?’ Daar wist ik geen antwoord op. ‘Ik ga naar huis. Ik ben ongesteld.’
‘Ach, meisje,’ zei ik en ik legde even mijn hand tegen haar wang. ‘Heb je dan niets bij je?’
‘Nee, dat soort dingen, daar let ik nooit zo veel op. Het komt toch altijd op de meest onverwachte momenten.’
‘Je kunt wel wat van mijn moeder gebruiken. Zal ze heus geen bezwaar tegen hebben. Lag er niets in de badkamer? Zal ik wat voor je halen?’
‘Nee, is niet nodig. Als je net ongesteld bent geworden, bloed je niet zo veel, hoor. Het zijn maar een paar drupjes.’

Spijt
Ze bleef nog een uur met mij tv kijken en toen zei ze dat ze echt moest gaan. Ze gaf me een vluchtige kus op de wang, kwam in de benen en keek achterom naar de plek waar ze gezeten had. Opeens had ik spijt van alles wat ik haar had aangedaan. Wilde in het vervolg rekening met haar houden, aardiger tegen haar doen. Op een rustig moment haar vragen of haar stemmingswisselingen misschien te maken hadden met de dagen voorafgaande aan haar ongesteldheid. Van mijn moeder had ik al vanaf mijn dertiende begrepen dat zo’n vraag behoorlijk beledigend kon overkomen, dat je eigenlijk zei: ‘Chagrijnig? Je moet zeker ongesteld worden, hè? Geeft niet, hoor. Laat het me voortaan wel even van tevoren weten. Bespaart een hoop misverstanden.’ Maar juist door niet door te vragen, kweekte je toch misverstanden?

Geïnteresseerd in meer fragmenten? Klik hieronder op de button ‘De IJskoning’, en/of  rechts op de cover van de roman.

maandag 22 januari 2018

Wraak, of toch maar niet? (Dl. 2) – een romanfragment uit ‘De IJskoning’

Mensen weten niet meer wat ze aan je hebben
’s Avonds op mijn kamer wees ik haar er op dat ze soms zo tegenstrijdig kon zijn. ‘Dat is behoorlijk verwarrend, Zita. Je moet wel consequent blijven.’
‘Waarom? Ik mag toch wel van mening veranderen?’
‘Daardoor kom je erg ongeloofwaardig over. Mensen weten niet meer wat ze aan je hebben.’
‘Nou, en wat zou dat,’ zei ze. ‘Het gaat er om wat ik er van vind.’
‘Wil je dat dan? Dat mensen je op het laatst volledig links laten liggen?’
‘Kan mij ‘t schelen. Doen ze nu toch al.’
‘Overdrijf toch niet zo. Je hebt mij, je hebt mijn moeder, je hebt die vriendin van je. Maar als je zo door gaat, blijft er op een gegeven moment echt niemand meer over. Dan vereenzaam en verkommer je. Word je pas een half jaar na je dood gevonden, nadat de buurt is gaan klagen over stank.’
Ze trok met een mondhoek en uit een oog gleed een traan.

Iedereen zit te zieken tegen mij!
‘Sorry, Zita. Zo heb ik het niet bedoeld.’
‘Ach, hou toch op!’ Ze snotterde. Haar lippen trilden, haar ogen sprongen vol, en met de tranen kwamen de woorden. ‘Iedereen zit te zieken tegen mij! Met m’n moeder heb ik ruzie en m’n broertje en twee zusjes hebben ook de pee in. Omdat ik zo chagrijnig reageer op alles wat ze zeggen en doen. Kut, kut, kut! Het gaat me de hele week al slecht. En dan moet jij ook nog met van die kutopmerkingen aan komen zeiken. Klootzak.’

Een grimas
‘Kom op, Zita. Ik zat je alleen maar een beetje te pesten. Hé.’ Ik porde haar in de zij. ‘Je moet je niet zo gevoelig zijn voor wat anderen zeggen.’ Ik trok een grimas, misschien vrolijkte dat haar een beetje op. Maar ze liet zich achterovervallen op mijn kussens. Met haar handen bedekte ze haar gezicht en toen ik haar nog eens porde, beet ze me toe: ‘Laat dat!’
Achter haar handen snoof ze een hoop snot op. Echt goor. Ik had nooit geweten dat een meisje daartoe in staat zou kunnen zijn. Mijn blik gleed over haar lichaam, van haar kuiten, naar haar dijen en heupen, van haar schouders naar haar handen.

Nog meer grimassen
‘Nu niet flauwvallen, mevrouw,’ zei ik met een zware stem. Ik verliet het bed en kroop over de vloer. Maakte apengeluiden en trok nog meer grimassen. ‘Hoe hoe!’ deed ik en ik stampte met beide vuisten op mijn borst en ik zag dat ze haar vingers iets had gespreid om mij stiekem te kunnen volgen. ‘We hebben nog ons huiswerk te doen. Hoe, hoe! Kom overeind. Of moet ik de dokter bellen. Is het zo erg gesteld met u? Hoe! Hoe!’ Opnieuw sloeg ik mij op de borst, kroop ik onrustig voor het bed langs, van het voeteneind naar het hoofdeind en van het hoofdeind naar het voeteneind, en telkens inspecteerde ik met een idioot vertrokken gezicht hoe het met haar was.

Niet op de beddensprei!
Ze snotterde niet meer. Ze had haar handen tegen haar mond gedrukt en haar buik begon te schokken.
‘Die Vernooi met zijn opmerkingen,’ zei ik. ‘Moet u daar nu heus van flauwvallen? U bent toch geen ouderwetse dame met een te strak korset om het lijf?’ En met een kinderstemmetje: ‘Nee, ge zijt een moderne vrouw.’
‘Hou alsjeblieft op,’ piepte ze. ‘Anders doe ik ‘t nog in m’n broek.’
‘Niet op de beddensprei! Niet op de beddensprei!’
Ze proestte het uit, kwam overeind en snelde naar de badkamer.

maandag 15 januari 2018

Wraak, of toch maar niet? (Dl. 1) – een romanfragment uit ‘De IJskoning’

De Dood met zijn gore bek
In de keuken sneed ik cake. Naast mij haalde Zita een nieuw pak koffie en een filterzakje uit een van de aanrechtkasten. Toen ze klaar was met haar toebereidselen en het koffiezetapparaat had aangezet, draaide ze zich om. Tegen het aanrecht aangeleund, stond ze door het geopende doorgeefluik stil het tafereel in de woonkamer gade te slaan. Elk in een fauteuil: mijn moeder en Jessica Overmaat. Tussen hen in, in een hoek van de bank: Jessica Overmaats dochter, die met het zonlicht op haar hoofd haar baby de borst geeft.



Zita’s lippen krulden. Ik deed een stap en vlak naast haar wang keek ik met haar mee. Ik zei: ‘Zo, kleine knul. Nu ben je nog een fris klein ding aan moedertjes borst. Je billetjes nog in de oude wijvenplooien. Ellende? Heb je nog geen weet van. Alles is nieuw. Maar er zijn wel al wensen. Verlangens. Nu staan nog de kleine dingen voorop. Je tandeloze mond aan haar borst. Je drinkt. Doe maar flink je best. Drinken, dat is voor jou het allerbelangrijkste wat er bestaat. Je bent nog zo klein. In je hulpeloze brein steekt nog geen venijn. Eén stap - en ze hebben je plat. Voor je het weet, ben je er geweest. Zal je dat ook nog denken op je tachtigste? Als het definitieve klokje heeft geslagen? Wanneer je hart het heeft afgelegd tegen de Dood? De Dood met zijn gore bek, hij zal je zeggen dat het leven slechts één ding heeft voorgesteld: een en al zinloosheid.’
‘Wees toch niet zo cynisch. Jij. Jij.’
‘Tja, zo ben ik nu eenmaal.’
‘Ik word er naar van.’
‘Sorry dan,’ zei ik.

Er mee doodgegooid
We brachten de cake en de koffie naar binnen. Jessica Overmaat gluurde mijn kant op, alsof ze wenste dat ik meteen weer naar de keuken zou terugkeren. Maar het was al gebeurd. Tussen het moment dat de baby had losgelaten en de blouse in een eindeloze eeuwigheid was dichtgeknoopt, had ik de hele blanke borst gezien, met tepel en al. Dacht die Jessica Overmaat soms dat mij zoiets nog naar de keel zou grijpen? NVSH-plaatjes en -foto’s geschikt voor kinderen van negen tot twaalf: ik ben er mee doodgegooid. Aan de hand van die plaatjes en foto’s heeft mijn moeder mij ook uitgelegd, hoe het nu precies ging tussen een man en een vrouw. Ze heeft mij verteld hoe zij en mijn vader het hadden gedaan, die eerste keer, die tweede keer en nog een paar keren daarna ‘tot het helemaal perfect was. Met heel veel liefde, aandacht en geduld.’ En met diezelfde hoeveelheid liefde, aandacht en geduld, vertelde ze me later, was ik gemaakt. Op een juliavond, in Joegoslavië.

Klopjes op de rug
‘O, dat lijkt me geweldig,’ hoorde ik Zita zeggen.
Ze zat naast Jessica Overmaats dochter op de bank en kreeg een doekje over haar schouder gelegd, waar ze het hoofdje van de baby tegenaan liet rusten. Ze wiegde hem, gaf hem klopjes op zijn rug, keek ernstig mijn kant op en zei: ‘Wat ie allemaal in z’n vorige levens mag hebben beleefd? Zo rustig als ie is. Oeps!’ Ze draaide haar ogen naar het babyhoofdje. Iets van wat hij zo even nog gulzig naar binnen had gesabbeld, had hij in een oprisping op het doekje gemorst.

Geïnteresseerd in meer fragmenten? Klik hieronder op de button ‘De IJskoning’, en/of  rechts op de cover van de roman.

dinsdag 12 december 2017

In een opwelling – romanfragment uit ‘De IJskoning’


Van opzij en met veel wit in het rechterdeel van haar ooghoeken, keek Zita naar me op. Al die expressies in haar gezicht, hoe snel ze elkaar verdrongen. Verwarring - boosheid - verbazing. En toen verscheen er langzaam een glimlach om haar lippen. Haar hoofd ging omhoog, haar lange wimpers daalden. Haar neus en lippen kwamen dichterbij. Ik kuste haar opnieuw. Ja, ik had haar gekust, in een opwelling. Ze was iets uitgebreid, op haar omslachtige manier aan het vertellen, mijn geduld raakte op en toen kuste ik haar. En niet eerst op haar wang, nee: direct op haar mond. En nu kuste ik haar voor de tweede keer. Ik wilde het helemaal doorleven. Maar de hele tijd dacht ik: nu kus ik haar - nu kus ik haar. Hoe moet ik haar kussen?

Ik voelde haar armen om mijn hals. Had ze gemerkt wat voor woekerende gedachten er tijdens het kussen in mijn hoofd waren gaan rondspoken? Nee, haar ogen straalden. Ze streelde mijn overhemd, van de elleboogholte naar mijn hand en zei: ‘Laten we een eind gaan fietsen.’

Ze deed vrolijk en gek. We gingen naar de tennisbaan. Na onze warming-ups sloeg ik de bal als het even kon zo hoog en hard mogelijk van mij af dat ze zich extra zou moeten inspannen. Er verschenen zweetplekken onder haar oksels, maar ze bleef plezier houden in het zwaaien met het tennisracket. Ik begon nog harder te slaan, heel gericht.
‘Auw!’ De bal was tegen haar hoofd gepetst. Ik liep naar haar toe. ‘Dat was bijna in m’n oog, man!’
‘Laat eens zien.’
‘Nee!’
Ze hield haar hand stevig tegen haar slaap, ik moest hem wegtrekken. Ik legde een kus op haar slaap. Wéér een kus. En zei: ‘Nu wordt het zeker geen blauwe plek meer.’

zaterdag 28 oktober 2017

Ik zou maar uitkijken als ik jou was – romanfragment uit ‘De IJskoning’


Ik zette mijn fiets tegen de zijwand van de abri en ging naast Caspar zitten. Terwijl hij naar de overkant van de straat tuurde, verscheen er een grijns over zijn gezicht.
‘Je helpt haar dus met Engels les.’ Hij draaide zijn hoofd naar me toe. ‘Ben je al met haar naar de bioscoop geweest? Nee? Dan hebben jullie het dus ook nog niet gedaan.’
‘Wat is dat voor onzin.’
‘Dat is gewoon zo, Patrick. Echt, je kunt pas samen naar de bioscoop wanneer je met elkaar naar bed bent geweest.’ Met een duistere blik voegde hij er aan toe: ‘Ik zou maar uitkijken als ik jou was.’
Ik sprong overeind. ‘Je begint al net zo te zeuren als mijn moeder! Nooit – nooit zal ik proberen om haar te versieren. Meisjes. Ze maken je volwassen. En dat is wel het laatste wat ik wil: volwassen worden. Op mijn eenentwintigste zal ik de jaren omkeren, Caspar. Ja, vanaf mijn eenentwintigste zal ik weer negentien, zeventien, zestien, tien, vijf en vier worden. Om - om ten slotte helemaal op te kunnen gaan, op te gaan in het niets.’
‘En de Nobelprijs die je later zo graag wilde winnen?’ vroeg hij koel. ‘Terug naar de baarmoeder dus.’
Hij haalde zijn broodtrommeltje tevoorschijn en zette zijn tanden in een dubbele boterham met gebakken ei. Ik nam weer naast hem plaats, met de handen in mijn jaszakken en de blik op de uiteinden van mijn gestrekte benen.
‘Heus: Ik wil haar alleen maar helpen. Haar uitspraak is miserabel.’
‘Ik betwijfel of je wel zo zeker van je eigen overtuiging bent, Patrick. Laat ik je daarom een tip geven. Wanneer zij te dicht bij je komt, die Zita Rozenmond: weet je wat je dan moet doen? Beginnen over de dood.’

zondag 17 september 2017

Wat is dat voor vreemd wicht? - een romanfragment uit ‘De IJskoning’


De trap op
Telkens weer die kwelling als Zita voor mij de trap op ging. Steevast hield ik mijn blik op mijn buigende knieën en de treeplanken. Eén keer ging het bijna mis. Ik gleed uit over een minuscuul klein, maar uiterst glibberig speeltje, dat ik wel had waargenomen maar meteen weer was vergeten door de gedachten aan haar billen. Ik kon me nog net aan de trapleuning vastgrijpen.
Zita draaide zich naar me om. ‘Wat is er met jou aan de hand.’
Ik keek langs haar heupen regelrecht haar neusgaten in en zei: ‘Waarom moet jij altijd als eerste de trap op! Je weet toch dat mannen voor horen te gaan?’
‘Nee hoor,’ glimlachte ze. ‘Het is precies andersom. Want als een vrouw valt, dan kan de man haar opvangen.’
‘Maar dan moet ze wel een broek of een lange jurk dragen.’
‘Waarom?’
‘Denk toch eens even na.’
‘Nou zeg! Als jij er zo eentje bent, dan kun je net zo goed stoppen met mij bijles te geven. Dan ga ik maar niet over.’

Huiswerk maken
Op haar kamertje lagen de knuffelbeertjes gewoontegetrouw en netjes op ons te wachten. Zita liep linea recta naar de ramen om die te sluiten. Maar de treinen op het rangeerterrein, de spelende kinderen op straat, het lawaai van haar broertje en twee zusjes beneden - het ene na het andere geluid begon haar te irriteren. Ten slotte klapte ze haar studieboek dicht. ‘En nou wil ik ze ontmoeten, die ouders van je. Misschien kunnen we dan in ‘t vervolg ook bij jou ons huiswerk maken. ’t Is hier veel te rumoerig.’

Zita’s kennismaking met mijn ouders
Ze droeg een vlot paardenstaartje en complimenteerde mijn moeder met de macaronischotel. Die vond ze overheerlijk, vooral de daar overheen gespreide kipfiletblokjes in gekruide kaassaus. Hoe ze die toch wel klaar had gemaakt? De ogen van mijn moeder lichtten even op. Weldra vlogen er recepten over en weer, ze vergaten bijna verder te eten. Mijn vader en ik wierpen elkaar een blik toe. Vrouwen.
Hij boog zijn hoofd terug naar zijn bord, had tot nu toe amper zijn stem laten horen, alsof hij was dichtgeklapt, meteen al bij de handdruk toen ik haar aan hem had voorgeteld.

Gemeenschappelijke interesses
Zita en ik hielpen mijn moeder met de afwas. Die twee bleven er maar op los keuvelen. Naast de kookkunst ontdekten ze nog veel meer gemeenschappelijke interesses. Oosterse wijsheid, rustgevende aroma’s, de bezorgdheid om de natuur, het lot van de mens en vooral dat van de dieren. Zita raakte helemaal enthousiast, nadat mijn moeder had opgemerkt dat ze vroeger tijdens protestacties bontmantels had bespoten met gele verf, waarvoor ze nog een paar dagen in een politiecel had gezeten ook.

En dan nu: aan de bijles
Mijn moeder legde haar theedoek over de centrale verwarming te drogen, excuseerde zich en vertrok naar boven om te gaan mediteren. Zita en ik namen in de woonkamer aan het ronde leestafeltje plaats. Uit onze rugzakken trokken we The Tempest van Shakespeare tevoorschijn. Zita speelde met haar halskettinkje, glimlachte even. Met de boekenkast van mijn ouders achter haar en het ronde leestafeltje tussen ons in begon ze een stukje voor te lezen. Verderop sloeg mijn vader in zijn luie stoel de krant om.

Spanningen
Misschien was Zita met hem in de buurt een beetje zenuwachtig. Bepaalde uitspraken waarvan ik had gedacht dat ze die dankzij mij de afgelopen weken onder de knie had gekregen, wilden opeens niet meer lukken.
Mijn vader liep de kamer uit. Maar Zita bleef fout op fout maken. Ze werd er radeloos van. Om erger te voorkomen, herhaalde ik haar woorden in cockney. Ze moest er om lachen, ze ontspande zich en daarna ging het langzaamaan beter. Toen bleef ze opnieuw haperen bij een bepaald woord. Ik deed een Engelse aristocraat na. Ze grinnikte. Toen ze nóg een keer haperde, noemde ik het plantje tussen ons in slaapkamerverdriet, en ze kwam niet meer bij.

Verleidingen?
Ze knoopte haar vestje los, schoof haar armen er uit en vouwde het over haar stoelleuning heen. Ze ging verder met voorlezen en ik liet mijn blik over haar T-shirtje glijden, waarop het embleem van Green Peace stond afgedrukt.
‘Waar kijk jij naar?’
Ik haalde mijn schouders op en zei snel: ‘Dat is een mooi T-shirt. Ik vind überhaupt dat je vaak mooie kleren draagt.’
‘Dank je.’

Gloeiende oren
Het liep al tegen tienen toen ik haar naar huis had gebracht. Mijn vader merkte op: ‘Wat was dat nou voor vreemd wicht?’
Ik voelde mijn oren gloeien, maar ik hield mij in.

donderdag 10 augustus 2017

Mijn alles en iedereen liefhebbende moeder – romanfragment uit ‘De IJskoning’


Beneden mij in de woonkamer bleek mijn moeders schreeuwen tegen mijn vader te zijn overgegaan in een jammerend huilen. In een razende zwaai bracht ik mijn handen naar mijn oren. Zo wil ik mijn moeder niet. Nee, ik wilde de moeder die met liefde en smaak het eten toebereidde. De moeder die op mijn vijftiende verjaardag in de lade van mijn bureau een pakje condooms had gelegd. Met een elastiekje had ze er een briefje omheen gewikkeld. Lieve Patrick. Je bent nu op een leeftijd gekomen dat je de dingen waar ik je over heb verteld zelf zult willen ervaren. Vandaar dit presentje. Je weet nu hoe het moet, dus doe het goed. Je liefhebbende moeder, Ellen.

Mijn alles en iedereen liefhebbende moeder. Ellen Vernooi-Hoogebeen. Ze zit daar diep beneden mij te janken. Maar ondertussen blijft ze geloven dat het ooit eens goed zal komen met haar, met haar man en met heel de mensheid hier op aarde. Je moet er wel iets voor doen.

Mijn moeder met teveel zorg en mysterie in haar hoofd. Te veel zorg en mysterie van vroeger. Je beweert dat je toen je een jaar of achttien was een trip had willen maken naar Goa, waar al zo veel hippies naartoe waren getrokken dat je het al bijna geen deelstaat van India meer kon noemen. Waarom ben je daar nooit geweest? Waarom ben je nooit verder gekomen dan bijna veertien jaar lang, elke zomer maar weer Joegoslavië-Joegoslavië-Joegoslavië en nog eens Joegoslavië, samen met mijn pappie en later ook met mij er bij?

Je beweert dat je in de Ban de Bom beweging gezeten hebt. Misschien was dat langer dan je lief was, want je eigen ouders hebben tegen je gezegd: ‘Jij hoort daar niet. Die atoombom heeft ons bevrijd van de Jappen. Die atoombom voorkomt een nieuwe oorlog.’ En toen ben je uit mededogen en verzet nog grotere en nog idiotere teksten op spandoeken gaan kladden. Samen met die pappie van mij. Tegen de oorlog in Vietnam. Tegen de onderdrukking in het Oostblok. Tegen alles.

Wat is er daarna van je terechtgekomen? Tegenwoordig ben je verdomme alleen nog maar donateur van Amnesty International en lid van Opzij en de VPRO-gids. Tegenwoordig zit je elke avond dertig minuten lang op de vloer van je hobbykamer met gevlochten benen te mediteren en ben je voor iedereen onbereikbaar. Fijne moeder is dat.

donderdag 13 juli 2017

Echtelijke ruzie – romanfragment uit ‘De IJskoning’


Voorzichtig keek ik om de hoek van de open staande kamerdeur. Met een ruk draaide hij zijn hoofd naar me toe. Ze waren overweldigend, zijn helderblauwe ogen. Ze staken mij tot in het hart. Ja, hij wilde me ter verantwoording roepen. Kom maar op met je donderpreek. Maar mijn moeder zei, zenuwachtig draaiend aan de trouwring om haar vinger: ‘Ga maar slapen, Patrick. We hebben het morgen wel over jouw late thuiskomsten. Ik ben nu even met je vader in gesprek.’
Op mijn kamer hoorde ik door de vloer heen dof haar verontwaardigde stem. Mijn vader baste kort en haar stem ging nog verder de hoogte in. Ik plofte op mijn bureaustoel neer. Ze begon te schreeuwen, waar mijn vader iets drukker doorheen bleef bassen.
Eens zien wat er op tv is. Ik zap flink rond, keer terug naar Nederland een voor het Journaal.
‘Goedenavond. Het nieuws van donderdag, vijftien maart 1990. Michail Gorbatsjov is verkozen tot de president van de Sovjet-Unie.’ Beelden van het congres, bekendmaking van de telling. Grijze pakken, staande ovaties.

Ik zette de tv uit. Beneden bleef het schreeuwen en bassen maar door gaan.

dinsdag 13 juni 2017

Brekend glas – romanfragment uit ‘De IJskoning’


Beneden ons brak glas.
‘Wat doe je!’ baste mijn vader dof. Die was dus net thuis gekomen. Mijn blik schoot naar de wekkerradio. Tien uur. Mijn moeder begon te tieren. Caspar bracht een hand naar zijn oor, luisterde even geconcentreerd en zei toen: ‘Vraag: Waarom heeft de man een lage stem en de vrouw een hoge? Antwoord: omdat de man in het diepst van zijn buik zegt: ik wil, en de vrouw in het topje van haar hoofd zegt: hij wil.’
‘Kom,’ zei ik, ‘ik breng je naar huis voor ze doorkrijgen dat we hier nog zitten. Doe je eerst even je schoenen uit? Anders horen ze ons op de trap.’
In het schemerduister van de woonkamer hurkte een gele jurk die mopperend en luidruchtig de glasscherven bijeen veegde. Op de bank zat mijn vader met een losgetrokken stropdas. Hij bewoog niet. Voor hem stond op de salontafel een wijnfles met een ingedraaide kurkentrekker. Toen schoot hij naar voren. De hengsels van de kurkentrekker boog hij naar omlaag.

zaterdag 13 mei 2017

Hekel aan Wagner – romanfragment uit ‘De IJskoning’


Elpee inspectie
Op mijn kamer liet ik hem de vier elpeeboxen zien met Wagners Ring, uitgevoerd door de Viena Philharmonic onder leiding van Solti. Die had ik van mijn vader mogen overnemen, nadat hij ze door cd-uitgaven vervangen had.
Caspar opende de dozen een voor een. Hij bladerde de bijgeleverde boekwerken door, bestudeerde de foto’s van Birgitt Nielson en andere zangeressen en zangers, de ontwerpen voor de eerste opvoeringen en de tekeningen van Arthur Rackmann. Bij de laatste box aangekomen, schoof hij zelfs een elpee uit de binnenhoes om aan het vinyl te kunnen ruiken.
‘Hm!’ zei hij. ‘Die zijn zeker schoongemaakt. Met zeepsop. Kan dat kloppen?’
Ik haalde mijn schouders op.

Wagner, een vervelend mannetje
Hij loerde over de plaat heen en vervolgde met een duistere stem: ‘Wist je dat Wagner een heel vervelend mannetjes kon zijn, dat hinderlijk kuchte om opnieuw de aandacht te krijgen, een paar seconden nadat een ander de conversatie had overgenomen? Ja, het liefst was hij onophoudelijk zelf aan het woord.’
Hij borg de elpee op, sloot het deksel en gaf de hele stapel terug in mijn handen.
‘Wagner schijnt zelfs een keer boos te hebben uitgeroepen: “Verzeihung. Aber was erlauben sie sich. Mir - der Grosse Komponist Richard Wagner - zu unterbrechen.” Dacht je dat hij dat tegen een van zijn gasten zei? Nee, dat zei hij tegen zijn eigen hond die tegen hem had geblaft. Grootheidswaanzin noem ik zoiets.’

In verweer     
‘Nee, hoor,’ zei ik. ‘Je kunt het ook opvatten als een flinke dosis zelfspot, want die Wagner had best wel humor.’
‘Hoe kom je er bij dat die Wagner humor zou hebben? Hij had een gloeiende hekel aan de muziek van Brahms en daarom vertelde hij de hele wereld rond dat Brahms aan zijn melodieën kwam door eigenhandig katten te wurgen. Langzaam, met een nylon koordje.’
‘Nylon moest toen nog uitgevonden worden, Caspar.’
‘Dan was het iets anders. Noem je dat humor? Zo’n verschrikkelijke roddel? Toen vatten ze het in ieder geval niet op als humor, want iedereen schijnt hem te hebben geloofd. Daarom heb ik een hekel aan Wagner. Zet dus alsjeblieft geen van deze platen op. Heb je Mozart? Altijd interessant om de verschillen in mijn opnames en in die van anderen te ontdekken. Dus kom maar op.’
   
Ook Mozart komt er slecht vanaf
Vijfenzestig minuten lang zeiden we enkel een paar woorden tegen elkaar. Wanneer onze cola-glazen leeg waren, vulde ik die bij. Tussendoor volgde ik geamuseerd zijn reacties op bepaalde wendingen in het eenentwintigste en het zevenentwintigste pianoconcert dat ik voor hem had opgezet. ‘Te snel.’ - ‘Te Langzaam.’ – ‘Dat is mooi, maar wel te laat.’
Hij drukte een wijsvinger tegen de slaap met de rest van zijn vingers gekromd, wat hij vast op tv een of andere schrijver of acteur had zien doen. Hij stond op, stapte naar mijn boekenkast en haalde er een boek uit. Luisterend naar de muziek, liep hij met dat boek in zijn hand opengeslagen langzaam heen en weer tussen boekenkast en deur.
Tegen de tijd dat Mozarts zevenentwintigste pianoconcert was afgelopen, had hij het boek teruggezet en was hij op zijn stoel teruggekeerd. ‘Afgekeurd,’ zei hij. ‘Zowel de muziek als het boek.’