donderdag 16 maart 2017

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroog’ - deel II


door
Sophia Désedan 


Waar gaat in één zin ‘Eksteroog’ over?
Over vriendschappen, aanhankelijkheid aan het leven en het verwerkingsproces van een ongeneeslijke ziekte.

Wat zou je op de achterflap van ‘Eksteroog’ kunnen zetten?
Zie Bibliografie. Het moge duidelijk zijn dat deze roman niet een zoveelste zelfhulpboek is. Daarvoor zijn tekst en thematiek te literair.

Hoe ben je op 't idee van ‘Eksteroog’ gekomen?
In 1986 bezocht ik mijn huisarts vanwege klachten aan een van mijn tenen. Ik had gedacht dat het om een eksteroog ging, maar het bleek een ontsteking te zijn.
De specialist die de ontsteking behandelde, zei dat ik waarschijnlijk te weinig gevoel in mijn voeten had. Anders was ik veel eerder naar de huisarts gegaan.
De specialist verwees mij door naar een neuroloog. Een keer per jaar controleerde de neuroloog het gevoel in mijn voeten. In jaar drie liet hij zich terloops ontvallen: ‘Het is zeer verstandig dat wij dit onderzoek blijven doen, want het is niet uitgesloten dat u over twintig jaar terechtkomt in een rolstoel.’
Ik heb deze neuroloog nog één keer bezocht, daarna niet meer.
Sinds drie jaar ben ik een van de weinige schrijvers in Nederland - misschien wel de enige - die zich buitenshuis met behulp van krukken voortbeweegt. Vooralsnog ga ik ervan uit dat het tot mijn levenseinde bij deze krukken zal blijven.

Is de roman ‘Eksteroog’ autobiografisch?
Voor een heel klein deel. In tegenstelling tot het hoofdpersonage in ‘Eksteroog,’ heb ikzelf de verwachting van mijn neuroloog wel meteen met vrienden besproken. Mijn vrienden zijn overigens niet de vrienden van mijn hoofdpersonage, al zullen sommigen zich misschien wel gedeeltelijk herkennen.
De in de roman beschreven MRI-scan heb ik zelf ondergaan, voor een aandoening aan mijn ogen die minder ernstig bleek dan vermoed: ik was eenvoudig toe aan een bril.
Van mijn zwager heb ik het verhaal van de hond die in een bushokje de broekspijp van een man onder piest.
De zelfmoordpoging van de vrouw en de treinaanrijding zijn authentiek, maar hebben in tegenstelling tot in de roman niets met elkaar te maken.
…Is het belangrijk om te weten of een roman autobiografisch is?...

Heb je veel research moeten doen voor ‘Eksteroog’?
Dat hing van het onderwerp af. Zo had ik vrijwel meteen informatie van het internet kunnen vissen over het NS-protocol en de ervaringen van NS-personeel bij treinaanrijdingen. Om mijn hoofdpersonage als eigenaar van een antiekzaak geloofwaardig over te laten komen, heb ik uren achtereen boeken en sites over antiek en veilingen door geplozen.



N.B.: ‘Eksteroogs diagnose’ heet tegenwoordig ‘De geschonken tijd’



zaterdag 11 maart 2017

Mijn persoonlijke afwijking – een lichtelijk bewerkt romanfragment uit ‘De IJskoning’


Pijnlijk verzoek
Aan het eind van zijn introductie keek de gespreksleider alle aanwezigen rond de tafel even aan. Hij beweerde dat het niet uitgesloten was dat bij sommigen van ons hoogbegaafdheid samen ging met een afwijking. Dus of wij ook even onze eventuele afwijking wilden noemen, nu wij ons aan elkaar gingen voorstellen? Dan zou daar de rest van de dag rekening mee gehouden kunnen worden.

Voorbeelden
Afgezien van hun intelligentie, vonden de eersten die aan de beurt waren zich vrij normaal. Daarna volgden er een jongen die rampzalig stotterde. Een eindje verderop zette een magere lat plastisch uiteen wat anorexia nervosa inhoudt. Er was een meisje met een hoornen bril dat in reïncarnatie geloofde. Het grijze kind naast haar vroeg: ‘Maar dat is toch geen afwijking?’

En die van mij?
Afwijking, afwijking. Wat was mijn afwijking? Ik hield mij afzijdig, ik was een Einzelgänger. Dat was toch geen afwijking? Afwijkingen, dat waren de schone-handen-tic van de wiskundefreak, de epileptische toevallen waaraan het talenwonder leed, de kaartblinde die alles van sterrenstelsels afwist.

Sympathie winnen
De jongen die bij mijn binnenkomst dwars door mij heen gekeken had, was aan de beurt. In een keurig handschrift stond op zijn naamplaatje geschreven: Caspar van Blokland. Hij bleek ook op het Thorbecke Gymnasium te zitten, en hij was om dezelfde reden als ik door de schoolpsycholoog hierheen gestuurd: ‘Om er achter te komen wat er nu werkelijk met mij aan de hand is. Ik vraag mij af of dat wel in een dagje te klaren valt. - Wat mijn persoonlijke afwijking is? Hm! Kijk, met zeven was ik al in staat om op de vleugel van mijn ouders Mozart op een aangename manier ten gehore te brengen.’
Hij plukte aan zijn neus.
‘Bijna perfect speel ik alle andante’s en andantino’s uit zijn pianoconcerten na. Dat is misschien wel interessant, maar niet essentieel. Essentieel is dat ik onmogelijk deze andante’s en andantino’s uit kan voeren zoals Mozart ze op papier heeft gezet. Ik speel ze namelijk alle in E mineur.’
Zijn mond bleef een beetje open staan, klaar om te reageren op een vraag. Maar in plaats van dat er vragen kwamen, tikten de uitzettende verwarmingsbuizen een tijdje in de stilte. Alle hoofden waren met interesse naar hem gericht.
‘Mozart was een vrolijk mens,’ ging hij verder. ‘Van de vijfentwintig pianoconcerten die hij geschreven heeft, zijn er slechts twee in mineur.’
Het meisje met de hoornen bril knikte.
‘Nu staat hier toevallig een piano in de gang. Als jullie willen, zal ik straks een stukje spelen. Achterstevoren, want dat is ook een afwijking van mij. Zo. Dan geef ik nu het woord aan mijn buurvrouw.’
Op slag had hij van iedereen de sympathie gewonnen, die hij vervolgens ook weer verspeelde.

Mijn afwijking
De hoogblonde jongen links van mij legde liefelijk zijn vingertoppen over zijn op tafel neergelegde pen, potlood, gum en puntenslijper heen en vertelde met een ontwijkende blik dat hij naar depressiviteit neigde en niemand recht in de ogen durfde te zien. Caspar van Blokland, die pal tegenover hem zat, boog zich naar hem toe. Hij stond zelfs op van zijn stoel om zijn gezicht zo dicht mogelijk bij de ander te hebben. Ik zag dat zijn kapsel vol kale plekken zat. Met een enorm nasale stem zei hij: ‘O ja-a?’
Ik mocht dit soort cynisme wel.

donderdag 2 maart 2017

Couleur locale van mijn vroegste jeugd

Huis
Met behulp van een paar vrienden bouwde mijn vader midden jaren dertig van de vorige eeuw een eigen huis op pas ontgonnen grond, waarachter richting oosten en zuiden vrijwel meteen de heide begon.
In dat huis ben ik opgegroeid, de heide was toen allang verdwenen en had plaatsgemaakt voor weilanden waarop koeien graasden en akkers waarop het ene jaar graan en het andere jaar aardappels, bieten of koolrapen werden verbouwd.

Grens
Behalve in het noorden strekten deze weilanden en akkers zich rondom ons huis uit tot aan de horizon, of - optisch gezien vlak daarvoor - tot aan de plek waar die zicht werd onderbroken door een rij bomen.
In het oosten markeerden die bomen een kanaal, in het westen deden ze dat langs een klinkerstraat die het dorp waar wij twee kilometer ten zuiden van woonden, verbond met de rest van de beschaving.



Mobiliteit
Wijzelf konden het dorp bereiken via een zandpad dat rond mijn derde levensjaar gezelschap kreeg van een sintelpaadje, waarover kon worden gelopen of gefietst.
Ik kon toen nog niet fietsten, mijn moeder evenmin en zou het nooit leren, dus bleven van ons gezin alleen mijn negen jaar oudere zus en mijn vader over om het sintelpaadje te begaan met de fiets. Mijn moeder deed tot aan de dag dat zij naar het bejaardentehuis zou vertrekken haar boodschappen en andere dorpsbezoeken te voet.
Nadat ik eenmaal fietsen had geleerd en de leeftijd van vier jaar had bereikt, begeleidde een buurmeisje met beginnende borstjes mij naar de kleuterschool in het dorp.

Isolatie
Als het flink had gesneeuwd of wanneer zo’n dik pak sneeuw was gesmolten, waren zowel de zandweg als het sintelpaadje onbegaanbaar en moesten wij noodgedwongen thuis blijven, waren wij afhankelijk van de proviand dat we op dat moment in huis hadden.
Gelukkig was de toegang naar het dorp binnen een week al weer begaanbaar. We hebben nooit honger hoeven lijden, ook omdat mijn vader aardappelen en groenten zelf verbouwde en in staat was om zelf brood te bakken, vruchten in de weck te zetten en jam te maken. 

vrijdag 24 februari 2017

Achtergelaten kind

Een slecht mens
Op het tafeltje waaraan ik mijn supermarktboodschappen in mijn rugzak borg, zette een Chinese man een klein meisje neer, waarna hij in de supermarkt verdween.
Ik vond dit nogal naïef, zijn dochtertje zo maar onbeheerd achter te laten. Wanneer ik een slecht mens was geweest, had ik haar ik-weet-niet-wat kunnen aandoen.
In plaats daarvan ging ik rustig door met mijn rugzak vullen.

Schreeuwangst
Het meisje keek met haar gitzwarte oogjes langs mij heen naar de ingang van de supermarkt, waarschijnlijk naar de stapels kratten bier waarachter haar vader verdwenen was. Ze was nog van een leeftijd waarin kinderen, eenmaal beseffend in de steek te zijn gelaten, spontaan kunnen gaan blèren.
Ja, nog even en ze schreeuwde alle supermarktbezoekers in een wanordelijke kring om ons heen, inclusief alle supermarktmedewerkers. Vervolgens zou een van die medewerkers 112 bellen en als de politie eenmaal zou zijn gearriveerd, dan krijg ik natuurlijk van alles de schuld.

Zakje rozijnen
Het meisje liet geen enkele traan, ze keek zelfs niet angstig of sip. Terwijl ze snoepte uit een papieren zakje met rozijnen, keek ze mij aan. Zou ik mijn rugzak omdoen, mij omdraaien en het kind aan haar lot overlaten? Nee, ik besloot - voelde mij verplicht om naast haar op het tafeltje te gaan zitten en de terugkomst van haar vader af te wachten.

Ervandoor
Omdat hij maar weg- en wegbleef, begon ik te begrijpen dat hij niet meer zou terugkeren. Natuurlijk! Zijn eenpersoons ouderschap compleet zat, was hij allang met een smoes via het magazijn van de supermarkt op straat weten komen en opgegaan in de mist van de illegaliteit.

Vertrouwenstest
Zat ik mooi met zijn kind opgescheept.
Hij had het van tevoren allemaal heel goed gezien. Wie weet hoe lang hij me had geobserveerd in dat halfuur voordat ik mijn rugzak met boodschappen was gaan vullen.
In de supermarkt was hem opgevallen, hoe aardig ik een vrouw had geholpen die niet bij de hoogste schappen kon komen. Op de manier hoe ik dat hele halfuur van boodschappen-doen uit mijn ogen had gekeken, had hij kunnen afleiden dat ik te vertrouwen was, dat ik een mens ben met het hart op de goede plek.
Ja, hij kon er rustig vandoor gaan, want ik zou mij ontfermen over zijn dochtertje, haar adopteren.

Aanbod
Het kind begon wat vaker en nu met zorg in het rond te kijken. Ik zei: ‘Nog even geduld, je papa komt zo.’
Ze bood mij het zakje met rozijntjes aan.
‘Voor mij?’ vroeg ik. ‘Dat is erg lief van je, maar ik heb al gegeten.’
Het zakje trok ze terug tot voor haar buikje. Met vochtig-glimmende vingertjes stak ze opnieuw een stel rozijntjes in haar mond.

Kassa-oponthoud
‘Kijk,’ zei ik enthousiast tegen het kind. ‘Daar staat je papa. Zie je hem?’
Hij bevond zich in de rij van kassa vier en zwaaide tegen haar. Nu zou het niet lang meer duren.
Helaas. De rij schoof niet op. De kassière leek problemen te hebben met het scannen van een pak toiletpapier. Ze haalde er een collega bij en die scheen er ook niets van te begrijpen.

Zorgzame vader
Eindelijk kwam de man onze kant op. Hij droeg een fles drinken bij zich, een of ander exotisch vruchtensap. Bij het kind aangekomen, schroefde hij de dop ervan af, nam een slok en pas toen hij die slok goedgekeurd had, gaf hij de fles aan het kind. Ze bleek flinke dorst te hebben.

Dankbaarheid
Hoe hij het in zijn stomme hoofd haalde om zijn dochtertje van nog geen vier zo maar bij een wildvreemde man achter te laten! Dat en nog veel meer had ik hem naar het hoofd willen slingeren.
Ik zei: ‘Ik heb uw terugkomst maar even afgewacht. Uw dochtertje is erg lief geweest.’
Hij knikte zoals alleen Chinezen en andere Oost-Aziaten dat kunnen doen. Met eerbied, met dankbaarheid in de fonkelende ogen en een brede glimlach.

donderdag 16 februari 2017

Van kort verhaal naar volwaardige roman: ‘Eksteroog’ – deel I


door
Sophia Désedan 

In je ‘Schrijversjaarverslag 2016’ noemde je als een van je twee grote projecten: de roman ‘Eksteroog.’ Lezers die je al een tijdje op deze blog volgen, zullen zich afvragen waar dit stuk proza van jouw hand opeens vandaan komt, want op deze site heb je d'r tot nu toe nauwelijks aandacht aan besteed.

Komt ‘Eksteroog’ zo maar uit de lucht vallen?

Nee, het manuscript bestaat al sinds 1998. Sommige fragmenten zijn in hun oorspronkelijke vorm van twintig jaar eerder. En de oerknal voor deze roman, zoals ik in een vorig blog geschreven heb, vond plaats rond mijn vierde levensjaar, in een telkens terugkerende droom.
Die droom heb ik gedurende mijn adolescentie twee keer gebruikt voor een kort verhaal. Die verhalen heb ik in ‘Eksteroog’ verwerkt.

Wanneer heb je aan ‘Eksteroog’ geschreven?

Het schrijven aan ‘Eksteroog’ valt grofweg in te delen in 4 fases.
Fase 1: 3 september 1998, 12 oktober 1999 - 21 maart 2000, 16 december 2002;
Fase 2: 18-22 april 2009, 17 juni-31 oktober 2009, 16 januari 2013;
Fase 3: 10-27 april 2015; 18 mei 2015; 28 oktober-1 november 2015;
Fase 4: 4 juni - 25 augustus en 11 oktober - 1 november 2016.

Kun je iets vertellen over de ontwikkelingsgeschiedenis van Eksteroog?

Tussen 1978 en 1980 tekende ik in een schriftje de eerste aanzetten op voor een roman, getiteld: ‘Versagen in eenzaamheid.’ Die roman heb ik ergens in de jaren tachtig afgewezen, maar het schriftje met de eerste aanzetten heb ik bewaard.

Fase 1
In mijn Schrijverslogboek schreef ik op 3 september 1998: ‘Fragmenten uit Versagen in Eenzaamheid met potlood aangestreept, bestemd voor diverse korte verhalen + begin gemaakt van ‘Manuscript, gevonden tussen twee identieke woningen.’
Op 28 november 1999 heb ik de titel veranderd in ‘Eksteroog’, omdat de oorspronkelijke te veel de afloop verraadt.
Op 16 december 2002 maakte ik een verslag van een MRI-onderzoek dat ik die dag had, en waarvan ik toen al wist dat ik deze informatie zou kunnen gebruiken voor ‘Eksteroog.’

Fase 2
Net als ‘De IJskoning’ was ‘Eksteroog’ aanvankelijk als verhaal opgenomen in de bundel ‘Gezichten in het struikgewas.’ Op 18 april 2009 koppelde ik ‘Eksteroog’ van ‘Gezichten’ los, om het te kunnen laten uitgroeien tot een novelle. Op die dag telde het 39 pagina’s.
Dat ik na zoveel jaar er weer mee aan de slag ging, terwijl ik midden in researchwerk voor mijn roman ‘De behouden stilte’ zat, heb ik te danken aan een collega op mijn werk, een vrouw die zeer geïnteresseerd was geraakt in ‘Eksteroog’ nadat ik haar erover had verteld.
Op 31 oktober 2009 was de tekst zo ver uitgebreid, dat je kon spreken van een kleine roman: 136 pagina’s.
Op 16 januari 2013 heb ik fragmenten over de bouw van een torenflat tussengevoegd.

Fase 3
Opnieuw bleef het manuscript enige tijd liggen. Projecten als ‘De IJskoning’ eisten al mijn schrijftijd op.
In oktober 2014 haalde ik een fragment uit ‘Eksteroog’ om het uit te werken tot een verhaal voor een Verhalenschrijfopdracht van Het Schrijverscafé. (Voor informatie over Het Schrijverscafé, zie voetnoot bij Schrijversjaarverslag 2016). Misschien was dit de aanleiding om verder te gaan met de roman?
Extra gemotiveerd raakte ik, nadat een collega-schrijver van het Schrijverscafé mij in het najaar van 2015 vroeg om haar roman in wording door te nemen en van commentaar te voorzien. In ruil daarvoor zou zij hetzelfde doen met een van mijn manuscripten. Dat werd dus ‘Eksteroog.’
Toen ik het manuscript in november 2015 naar haar opstuurde, besloeg het 162 pagina’s.

Fase 4
Nadat ik het manuscript in februari 2016 met lovende woorden, suggesties en kanttekeningen terugontvangen had, ging ik er weer mee aan het werk. Dit deed ik in de tweede helft van 2016, omdat ik in de eerste helft van dat jaar druk bezig was met de laatste redactieslag van ‘De IJskoning.’ Überhaupt is het verstandig om een manuscript waar je zo lang en zo dicht met de neus bovenop hebt gezeten, een flinke tijd te laten rusten.
Op aanraden van mijn collega-schrijver verbeterde of schrapte ik zinnen en fragmenten. Ook op haar aanraden gaf ik de nevenpersonages meer diepgang en een nog sterker eigen verhaal. 
Losliggende draadjes die ik onderweg tegenkwam, knoopte ik op eigen initiatief aaneen, en als ze er weinig toe deden schrapte ik ze. 
Ook op eigen initiatief verschoof ik vanwege de spanningsopbouw enkele hoofdstukken. 
Om de nogal sombere geschiedenis meer lucht te geven, voegde ik een paar hoofdstukken toe. Als basismateriaal heb ik hiervoor onder andere een aantal blogartikelen gebruikt. Bijvoorbeeld: ‘Waarom baby’s lachen als ze geboren worden’ en ‘Van mijn bed gelicht.’
Op 1 november 2016 lag er voor mijn collega-schrijver een manuscript van 201 pagina’s klaar.

Fase 5?
Inmiddels heb ik ‘Eksteroog’ van haar mogen terugontvangen. Er vallen nog steeds een paar dingen te verbeteren voordat deze roman naar een uitgever kan.



N.B.: ‘Eksteroogs diagnose’ heet tegenwoordig ‘De geschonken tijd’


donderdag 9 februari 2017

De puinhopen van de romantiek – een romanfragment uit ‘De IJskoning’

Moet je hem daar zien zitten. In zijn ochtendjas. Wanneer hij niet als voetbaljeugdtrainer, scheidsrechter, secretaris van het Arnhems Bach koor of als voorzitter van een of andere vage vereniging buitenshuis moet zijn, wanneer hij niet de drang voelt om kilometers te gaan hardlopen of fietsen en het niet heeft weten vol te houden om eens lekker uit te slapen, dan zit hij op zaterdagochtend in zijn luie stoel. Met de kin op zijn samengevouwen handen. Treurend en piekerend. Overziet vast de puinhopen van de romantiek, de jaren van zijn jeugd. Er is bar weinig meer overgebleven van zijn idealen. 
Ja, pa, je gezin en vooral dat werk van je zijn nu je enige verantwoordelijkheden. Met je vriend en compagnon Quido Overmaat geef je leiding aan een bedrijf met vijfenzeventig man in dienst. Tot in de avond zit je daar vaak nog op je directeurskamertje plannen te smeden om de boel nog beter te laten draaien dan het al doet. Ma is het er een hele tijd niet mee eens geweest, dat je zo vaak voor het avondeten te laat komt. Misschien zit je daar op dit moment over na te denken, over wat je toen allemaal ter verdediging tegen haar hebt gezegd: ‘Je wilt toch brood op de plank? Hou dan eens op met zeuren.’
En het geld blijft binnenstromen. Maar als je het mij vraagt, dat bedrijf - Overmaat Bedden en Matrassen BV - dat hij nu al sinds jaar en dag met zijn beste vriend runt - in het diepst van zijn hart wil hij heel wat anders. In het diepst van zijn hart is hij een vrijbuiter. Ooit - voor hij ma leerde kennen – heeft hij waterputten willen graven in ontwikkelingslanden, of eigenlijk nog het liefst dictaturen omver willen werpen, deze Rutger Vernooi die mijn vader wordt genoemd.

donderdag 2 februari 2017

Oudste droom als oerknal voor roman

Ik was ongeveer vier en ik herinner hem mij nog, omdat hij regelmatig terugkeerde en omdat hij een echte nachtmerrie was. Mijn vader bracht zelfs een zwakstroomlampje aan boven de deur van mijn slaapkamertje, opdat ik niet meer zo gauw in paniek zou raken als ik uit deze droom ontwaakte.

Hij is met zekerheid geïnspireerd op de door een tractor aangedreven dorsmachine, die elke augustusmaand achter ons huis zijn werk deed.



Ook was er de hele zomer door aan het kanaal twee kilometer verderop een waterpomp die begon te brommen vrijwel zodra ik in mijn bedje lag. Ik vond dat maar een eng geluid, vooral omdat het kwam van een rij bomen, waarvan er minstens één een mensengezicht had. Ik heb mijn vader gevraagd of hij die waterpomp kon afzetten, maar dat mocht hij niet.
In mijn herinnering zijn al deze zomers van mijn vroegste jeugd broeierig geweest.

Jarenlang heb ik gedacht dat de droom is voortgekomen uit het gegeven dat ik bij mijn geboorte met de verlostang ben gehaald.

Hij ging als volgt:
In een schuur staat een monsterachtige machine. Ik word door hem opgeslokt en in mootjes gehakt, of op een andere manier kapot gemaakt. Telkens ben ik weer heel en begint het proces van mijn vernietiging van voren af aan.

Jaren later zou ik deze droom gebruiken als inspiratiebron voor een belangrijk hoofdstuk in mijn roman ‘Eksteroog.’ Je zou mijn oudste droom kunnen beschouwen als oerknal voor deze roman.