zondag 28 december 2025
Neussnuivers
woensdag 8 oktober 2025
Op de Longlist van de Elders literair reisverhalenwedstrijd
‘De jury van Eldersliterair, bestaande uit de schrijvers Kristien De Wolf, Arjen van Meijgaard en Kees Ruys, las en besprak de 115 inzendingen voor de reisverhalenwedstrijd ‘Elders’ (zonder de namen van de auteurs te kennen) en kwam tot de volgende longlist van 15. Op alfabetische volgorde:
Hanneke Koppers – Knuffel uit Bilbao
Cristy Leonard – De koffer
Matilde Meertens – Tot hier
Mariano Perez van Poecke – Zomers die blijven
Gidi Pols – Barış, na de wind
Brenda Poppenk – Ruimtereis Manifestation 11
Henk Rouw – De rollen van Despoblado
Marjanne Sevenant – Lieve Dana
Dirk Straaijer – Benidorm
Lily Talapessy – Voor Michael
Pieter Van de Walle – De man uit Abu Dhabi
Joke Vander Laenen – Rome zien en sterven
Michael Vonk – De ezelsoren der Zijderoute
Indra Versmesse – Stay Hotel Porto Aeroporto. Kamer 412
Houd onze website in de gaten voor meer informatie en het bestellen van tickets voor deze avond!’
vrijdag 25 april 2025
Een teken van leven
door Sophia Désedan
Hoe ik ‘m in z’n ivoren schrijverstorentje aantrof
Verplichtingen
vrijdag 1 december 2023
Het plezier van het schrijven
maandag 20 november 2023
Een verleiding tot verder lezen
Voor de verhalenbundels nu geen fragment(en) meer, maar een of twee complete verhalen.
Voor de romans in plaats van drie min of meer willekeurige hoofdstukken, nu de eerste zeven.
vrijdag 8 september 2023
Van enorme handen glijden
Mijn vader had niet alleen enorme handen, hij was ook sterk. Op een steenfabriek versjouwde hij in een kar met twee wielen ladingen vol afgekoelde bakstenen naar vrachtwagens die voor vervoer gereed stonden. Mijn vader verbrandde veel energie. Elke ochtend nam hij een ijzeren broodtrommel mee, waarin een heel tarwebrood zat, belegd met ei, kaas en leverworst. Mijn vader was zo sterk dat toen hij met pensioen ging, er drie kerels voor hem in de plaats moesten komen.
‘Gaat het nog?’ vroeg de chauffeur. ‘Zal ik hem anders van u overnemen?’
De stem van mijn vader trilde door mijn babydeken heen: ‘Nee, laten we dat maar niet doen.’
Kort voor zijn ziekte werd hij wat toegeeflijker: ‘Ik hoop dat ik nog een tijdje leven mag.’
‘Bent u dan bang voor de dood?’
‘Dat weet ik niet, mijn jongen. Ik weet niet hoe de dood is, dus kan ik ook niet weten of ik er bang voor moet zijn.’
Mijn vader is seizoenlandarbeider geweest en fietste op vrijdagavond van Klazienaveen naar familie op de Groningse zandgronden. Daar vond hij zijn grote liefde: Greetje. ‘Die met de zwarte haren’, zo noemden ze haar, in een streek waar hoofdzakelijk vlasblonde meiden de lakens op graszoden te drogen legden. Toen hij met haar in die streek een gezin had gesticht en een eigen huis had gebouwd, ging hij met geleend geld verder leren en schopte hij het tot opzichter bij de wegenbouw. Hij haalde zijn rijbewijs, kocht een auto en voerde zijn beroep uit in Rolde, Scheemda, Assen en Sneek.
Voor hem doemde die beruchte bolle brug op. De chauffeur minderde snelheid, schakelde en mijn vader tilde mij verder omhoog om de schokken op te kunnen vangen. Hij dacht aan Abraham die op het punt staat, zijn kind te offeren aan God. Geschenken teruggeven: mijn vader had er ervaring mee. Zijn tweede zoon, Christiaan: kort na de oorlog overleden aan difterie. Nog geen twee jaar later: Greetje, die hem van de wegenbouw in Rolde, Scheemda, Assen en Sneek terughaalt. Dichter bij huis gaat hij werken op die steenfabriek, om meteen bij haar te kunnen zijn. Het moment waarin ze van hem wegglijdt, verteerd door de kanker, hem achter latend met een dochter van anderhalf: mijn zus Christina.
De chauffeur van de ziekenwagen begon af te remmen, schakelde en stopte aan de kant van de weg. Hij keek mijn vader aan en vroeg met nadruk, of het toch echt niet beter was dat ze ruilden: mijn vader achter het stuur en ik gedragen door de chauffeur.
‘Nee,’ zei mijn vader. ‘Want het is mijn kind.’
Toen we de reis hadden voortgezet, glimlachte mijn vader even. Die Sinterklaasnacht, waarin hij mij had verwekt bij de vrouw uit Twente die bij hem ingetrokken was om voor het huishouden en het grootbrengen van mijn zusje Christina te zorgen. Misschien was het om de roddels in het dorp te temperen, misschien was wat er uit hun samenwonen is voortgevloeid gewoon een verstandshuwelijk. Maar die nacht waarin mijn vader mij op zijn negenenveertigste heeft verwekt - de uren er omheen – misschien heeft hij toen het verdriet om zijn Greetje even kunnen vergeten.
Mijn vader hield veel dingen voor zich. Ik heb nooit geweten dat hij in de oorlog een Joods meisje een schuilplaats gegeven heeft. Ik heb nooit geweten dat hij twee keer een kind van de verdrinkingsdood heeft gered. Die dingen heb ik later, toen hij al lang dood was, gehoord van Christina, die me ook - als eerste en enige - van het grote wonder vertelde. Dat mijn vader mij twee uur lang in zijn enorme handen heeft gehouden om mij van het provinciehospitaaltje van Emmen naar het Academisch Ziekenhuis van Groningen te brengen.
Twee uren lang zweefden de boomkruinen en de lantarenpalen langs de ruiten van de ziekenwagen. Voor het eerst ervoer ik een sensatie die pas in mijn puberteit zou terugkeren, wanneer ik lag te dagdromen op de wiegende takken van een appelboom in onze tuin. Twee uren, en al die tijd heeft mijn vader de omgeving rond mijn staartbotje niet gestoten of aangeraakt.
Een verpleegster heeft een half uur in de portieken ons staan opwachten. Voorzichtig trok zij de ziekenwagendeur aan mijn vaders kant open. De kou in mijn gezicht. Een verpleegsterskap boog zich over mij heen. Ik begon te huilen toen de handen van mijn vader onder mij vandaan gleden.
Dit verhaal kwam op de shortlist van de Editio Debutantenschrijfwedstrijd 2022 terecht. Naar aanleiding van het juryrapport heb ik het hier en daar aangepast en een nieuwe eerste zin toegevoegd om het spelen met het perspectief aanvaardbaar te krijgen.
maandag 23 mei 2022
Waarderingen
Dankbaar
ben ik met
een publicatie
van ‘Prikkeldraad en roem’ in het online tijdschrift
&



